Uitspraak
Het gaat in deze zaak om de voorgenomen plaatsing van een netstation.
Enexis wil een netstation plaatsen en kabels voor laagspanning aanleggen om adressen aan De Siptenpad in Tilburg aan te sluiten op het elektriciteitsnetwerk. De betrokken adressen bevinden zich in het waterwingebied Gilzerbaan. Enexis heeft de voorgenomen activiteiten bij het college gemeld. Enexis mag de kabels aanleggen, maar mag het netstation niet plaatsen. Volgens het college is het in het waterwingebied verboden om een netstation te plaatsen. Het college heeft geweigerd om het netstation toch toe te staan door de hardheidsclausule toe te passen.
Met het besluit van 25 augustus 2020 heeft het college de melding van de plaatsing van het netstation buiten behandeling gesteld. Enexis heeft daartegen bezwaar gemaakt. Het college heeft dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft deze niet-ontvankelijkverklaring in haar uitspraak van 14 januari 2022 [1] vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. In die uitspraak is onder meer geoordeeld dat de reactie van het college op de melding op rechtsgevolg is gericht. Ook volgt uit die uitspraak dat het college had moeten beoordelen of de plaatsing van het netstation onder een wettelijke uitzondering valt. Na de uitspraak heeft het college het bestreden besluit op bezwaar van 16 mei 2022 genomen. Met dit bestreden besluit is het college bij de buitenbehandelingstelling van de melding gebleven. Het beroep dat Enexis daartegen heeft ingesteld is geregistreerd als SHE 22/1399.
SHE 22/705.
De voor de beoordeling van het beroep belangrijke regels uit de IOV zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
tegen een tariefvan een aansluiting op het door hem beheerde net. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de plaatsing van een netstation een economische activiteit is die tegen vergoeding wordt verricht. Daarom ziet de rechtbank dit als de uitoefening van een dienst in de zin van artikel 1 van Pro de Dienstenwet.
nietvan toepassing is. Daaruit mag niet a contrario redenerend worden afgeleid dat deze paragraaf
welvan toepassing is op alle andere beschikkingen. Daarbij komt dat het in strijd zou zijn met artikel 1.3, vierde lid, van de Wet milieubeheer om in de IOV paragraaf 4.1.3.3 van de Awb van toepassing te verklaren op een melding die kan worden aangemerkt als een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 1.3, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
Is de melding ten onrechte buiten behandeling gesteld?
Op grond van artikel 6.10, vierde lid, van de IOV deelt het college de indiener mee of met een melding kan worden volstaan. Pas als het college heeft meegedeeld dat met de melding kan worden volstaan, mag met de activiteit worden gestart (artikel 6:10, zesde lid). Aan de mededeling dat met de melding kan worden volstaan, kunnen voorschriften worden verbonden (artikel 6:10, vijfde lid). Deze bepalingen brengen met zich dat het college de melding moet afwijzen (meedelen dat niet met de melding kan worden volstaan) of toewijzen (meedelen dat met de melding kan worden volstaan). Het college kan op grond van artikel 4:5 van Pro de Awb besluiten om de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dat kan bijvoorbeeld als de aanvraag niet compleet is. Artikel 4:5 van Pro de Awb is hier echter niet aan de orde. Het college stelt zich immers op het standpunt dat de plaatsing van het netstation verboden is en blijft omdat geen sprake is van een meldingsplichtige activiteit. Dit inhoudelijke standpunt kan niet tot een buitenbehandelingstelling leiden. Als het college vindt dat geen sprake is van een meldingsplichtige activiteit, moet het college de indiener meedelen dat niet met de melding kan worden volstaan. Het college heeft dus een onjuist dictum verbonden aan zijn standpunt. Dit leidt tot vernietiging van het bestreden besluit van 16 mei 2022.
De plaatsing van het netstation is volgens Enexis uitgezonderd omdat het gaat om een bouwtechnisch werk dat nodig is voor regulier en beheer en onderhoud van infrastructuur, te weten het geheel van de elektrische installaties en kabels. Zonder het netstation is het niet mogelijk om de kabels te beheren en kunnen zij niet functioneren.
De tweede uitzondering vloeit voort uit het feit dat de aanleg van kabels is toegestaan. Het netstation en de laagspanningskabels vormen een ondeelbaar geheel en zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Daarom geldt de uitzondering voor de aanleg van kabels volgens Enexis ook voor de plaatsing van het netstation.
Bij de eerste uitzondering moet het gaan om regulier beheer en onderhoud van
bestaandeinfrastructuur. De dagrecreatieve voorzieningen op de betrokken adressen zijn niet voorzien van een vaste stroomaansluiting. Het aanleggen van deze aansluiting is dus een nieuwe voorziening die niet valt onder regulier beheer en onderhoud van de bestaande dagrecreatieve voorzieningen. Bovendien is het netstation volgens het college geen civiel- of bouwtechnisch bouwwerk.
De tweede uitzondering is niet van toepassing omdat de plaatsing van het netstation niet onder de aanleg van kabels valt. Het feit dat kabels en netstation onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn om een stroomaansluiting te realiseren, betekent niet dat beide afzonderlijke onderdelen vallen onder “de aanleg van kabels”. De onlosmakelijkheid geldt volgens het college niet voor de toelaatbaarheid van de afzonderlijke onderdelen.
Artikel 2.6 noemt activiteiten waarvoor het verbod niet geldt als er overeenkomstig artikel 6.10 melding is gedaan. Die meldingsplichtige activiteiten zijn, voor zover hier van belang:
- civiel- en bouwtechnische werken nodig voor regulier beheer en onderhoud van bestaande bebouwing, infrastructuur en waterbeheer (artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder d) en
- de aanleg van kabels en leidingen, uitgezonderd buisleidingen (artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder e).
Conclusie en gevolgenSHE 22/70528.Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit van 1 februari 2022 ongegrond verklaren. De weigering om de hardheidsclausule toe te passen blijft dus in stand. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af omdat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. Enexis krijgt het griffierecht in deze zaak niet terug en krijgt ook geen vergoeding van de proceskosten.
€ 2.271,-. Het college moet deze vergoeding betalen.