Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.De procedure
2 september 2020;
3 september 2020;
2.De beoordeling
- vast te stellen dat partijen in de preambule reeds afspraken hebben gemaakt over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden alsmede over de verdeling en te bepalen dat partijen hieraan uitvoering dienen te geven;
- te bepalen dat de man in dat kader aan de vrouw dient te betalen een bedrag ter grootte van € 8.074,00 ter zake de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden;
- te bepalen dat de woning staande en gelegen aan de [adres 1] te [plaats] aan de man wordt toegescheiden en de man een bedrag van € 70.373,00 aan de vrouw dient te betalen wegens overbedeling;
- (voorwaardelijk) te bepalen dat de man een vergoeding van de vrouw dient te ontvangen van € 29.365,14 ter zake de inboedelzaken en de auto, althans te bepalen dat de inboedelzaken in de woning te [plaats] aan de man worden toegescheiden en de inboedelzaken in het appartement in Spanje aan de vrouw;
- (voorwaardelijk) te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag betaalt van € 5.200,00 ter zake de borg van het appartement van de vrouw;
- althans te beslissen als de rechtbank in goede justitie meent te behoren.
- te bepalen dat de man, middels opgave van een registeraccountant, opgave dient te doen van al zijn deelnemingen of aandelen in vennootschappen, trusts, ondernemingen en van alle deelnemingen van/in de hiervoor genoemde BV’s, en te bepalen dat de man deze gegevens binnen veertien dagen na de door de rechtbank af te geven tussenbeschikking aan de rechtbank en aan de vrouw dient te hebben aangeleverd;
- een deskundige te benoemen die de waarde van (het aandeel van de man in) de ondernemingen van de man c.q. deelnemingen van de man / zijn BV’s, zal waarderen tegen de peildatum en te bepalen dat partijen op basis van deze waardering dienen te verrekenen c.q. verdelen en dienen af te wikkelen, opdat de man de helft van die waarde aan de vrouw dient te voldoen;
- te bepalen dat de gemeenschappelijke goederen van partijen zullen worden verdeeld conform een nader door de vrouw in het geding te brengen voorstel.
thanshet Nederlandse recht van toepassing willen verklaren. Verder is in de akte, onder meer en voor zover hier relevant, vermeld dat partijen:
- de algehele vermogensvermenging van de wettelijke gemeenschap van goederen willen uitsluiten en voor elkaar ter verzorging onder meer inkomensverrekening willen regelen;
- ook in de toekomst vrij willen zijn in de keuze om goederen en vermogensbestanddelen privé of gezamenlijk in eigendom te verkrijgen.
‘het gaat nu in, alles wat van [verzoeker] is, blijft van [verzoeker] en wat van [verweerster] is, blijft van [verweerster] ; (…); met andere woorden, de huwelijkse voorwaarden gaan in op de dag van ondertekening. Voordien verandert er dus niets’”.
[datum] 2018. Naar het oordeel van de rechtbank is deze stelling door de man onvoldoende onderbouwd, hetgeen gelet op de betwisting door de vrouw wel op zijn weg had gelegen. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de preambule niet is ondertekend door de vrouw en bovendien de lay-out heeft van een concept. Ook uit de door de man overgelegde e-mails die zijn gewisseld tussen (de advocaten van) partijen (productie 14) blijkt niet, althans onvoldoende, dat de vrouw volledig heeft ingestemd met hetgeen in de preambule is opgenomen. Uit de e-mail van [datum] van de advocaat van de vrouw kan juist worden afgeleid dat partijen nog in onderhandeling waren.
Gelet hierop komt de rechtbank tot de conclusie dat partijen over 2014 hebben verrekend.
Nu over een bepaald tijdvak tijdens de verrekenplichtige periode geen verrekening heeft plaatsgevonden, volgt uit artikel 1:141 BW Pro en 1:141 lid 3 BW dat in beginsel het op de peildatum aanwezige vermogen vermoed wordt te zijn gevormd uit hetgeen verrekend had moeten worden, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid in het licht van de aard en omvang van de verrekenplicht anders voortvloeit. In dit geval betekent dit dat in beginsel de waarde van het op de peildatum aanwezige vermogen moet worden verrekend, verminderd met de waarde van het aanwezige vermogen per 31 december 2016, omdat partijen over 2016 hebben verrekend. De stelplicht van de omvang en de waarde van het per 1 januari 2017 en per 4 maart 2018 aanwezige vermogen rust op de vrouw (zie de uitspraak van de Hoge Raad van 19 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:637) . Het is dan vervolgens aan de man, indien hij van mening is dat bepaalde vermogensbestanddelen niet tot het te verrekenen vermogen behoren, aannemelijk te maken dat deze vermogensbestanddelen niet tot het te verrekenen vermogen behoren. Een andere verrekenmethode dan voormelde saldomethode kan aangewezen zijn als verrekening alleen in de (het) laatste ja(a)r(en) van het toepasselijke tijdvak achterwege is gebleven en uit de administratie van partijen kan worden achterhaald welk bedrag per jaar verrekend moet worden en traceerbaar is welke bestedingen met het te verrekenen inkomen zijn gedaan.
- de helft van de eigendom van de onroerende zaak aan de [adres 3] te [plaats]
- de helft van de eigendom van de onroerende zaak aan de [adres 4] te [plaats] ;
- het appartement aan de [adres 5] , en
- het appartement aan de [adres 6] te [plaats] .
De rechtbank hecht eraan nu alvast op te merken dat als de man in zijn bewijslast slaagt, dit nog niet zonder meer betekent dat er bij de begroting van het te verrekenen bedrag geen rekening meer moet worden gehouden met deze vennootschap. Zoals de vrouw terecht stelt moeten de niet uitgekeerde winsten uit deze vennootschap, voor zover in het maatschappelijk verkeer als redelijk beschouwd, eveneens in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de verrekenplicht van de man, als de man in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van deze onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen. Niet in geschil is immers dat de huwelijkse voorwaarden een verrekenbeding bevat dat expliciet winst uit een rechtspersoon in de verrekening betrekt. De man betwist dit ook niet, maar stelt dat hij geen overwegende zeggenschap heeft in [zaak E] B.V. noch in [zaak F] B.V. dan wel [zaak D] B.V. Ter onderbouwing van dit betoog heeft hij verwezen naar de jaarstukken 2017 van deze vennootschap, in het bijzonder pagina 15 (productie 19 van de man en productie 29 van de vrouw). Daaruit volgt, naar het oordeel van de rechtbank, dat de man 28.500 gewone aandelen bezit in [zaak E] B.V. Uit pagina 14 kan worden afgeleid dat [zaak E] B.V. een deelneming heeft van 20% in [zaak F] B.V.. De vrouw heeft daartegen ingebracht dat dit niet zonder meer betekent dat de man geen overwegende zeggenschap heeft, omdat mogelijk in de statuten aan houders van deze aandelen een bepaalde zeggenschap is gegeven. Aan de vrouw kan worden toegegeven dat als de statuten een bijzondere zeggenschap toekennen aan deze aandelen, dit ertoe zou kunnen leiden dat de man in overwegende mate bij machte is te bepalen dat de winsten van deze onderneming hem rechtstreeks of middellijk ten goede komen. Nu de man heeft aangeboden de statuten te overleggen, zal de rechtbank de man als partij die over deze informatie beschikt in de gelegenheid stellen de statuten voorzien van een toelichting over te leggen. De vrouw mag hierop vervolgens reageren.
De vrouw vindt dat vanwege het feit dat deze vennootschap tijdens het huwelijk is verkregen de waarde van de aandelen tot het te verrekenen vermogen behoren. De stijging van de waarde van de aandelen is volgens haar een resultaat uit werkzaamheden dat volledig onder de huwelijks voorwaarden valt. Die waardestijging moet daarom worden gezien als inkomen in de zin van de huwelijkse voorwaarden. De man heeft dit betwist en stelt dat de huwelijkse voorwaarden voorschrijven dat de winst moet worden meegenomen in de verrekening als er werkzaamheden zouden zijn waaruit winst voortvloeit, maar niet als er geen werkzaamheden zijn in de B.V..
voor onttrekking aan de onderneming of hetgeen als onderneming wordt aangemerkt in aanmerking komt en aldus inkomen is als hiervoor bedoeld”
Nu partijen al over 2016 hebben afgerekend, betekent dit, wat er ook zij van de juistheid van de stellingen van de man, dat als in 2016 kapitaal afkomstig uit te verrekenen inkomsten in de vennootschap is gestort, dit niet tot een nadere verrekenplicht kan leiden. Dit geldt zowel voor de verkrijging van de deelneming in [zaak H] B.V. als voor de agiostorting in 2016 die beide volgens de jaarrekening in 2016 hebben plaatsgevonden. Dit betekent dat alleen de agiostorting, die blijkens de jaarrekening op 5 oktober 2017 (productie 31 van de vrouw) is gedaan voor een bedrag van € 235.000,00, er nog toe kan leiden dat de vrouw een verrekenaanspraak jegens de man heeft. Nu partijen in de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen dat de verplichting tot verrekening alleen betrekking heeft op het nominale bedrag van de bespaarde inkomens, betekent dit dat de vrouw ten hoogste een vorderingsrecht heeft op de man ten belope van de helft van € 235.000,00.
Ten aanzien die storting heeft de man niet aangetoond dat die is gedaan uit privévermogen. De rechtbank zal de man alsnog in de gelegenheid stellen bewijs van die stelling te leveren. De vrouw mag hierop reageren. Als de man slaagt in zijn bewijsopdracht, merkt de rechtbank alvast op dat de waarde van de aandelen in de vennootschap in dat geval buiten de verrekening blijft. Ook aan toepassing van artikel 1:141 lid 4 BW Pro kan dan niet worden toegekomen, omdat de man aan de hand van de jaarrekening, gemotiveerd en onbestreden heeft gesteld, dat de vennootschap een negatief resultaat heeft behaald over 2017.
De rechtbank zal de man, nu hij ook de eerdere verrekenoverzichten heeft opgesteld en over de onderliggende bescheiden beschikt, als de meest aangewezen partij in de gelegenheid stellen het verrekenoverzicht over 2017 op te stellen, met inachtneming van hetgeen is overwogen in punten 2.6.26 en volgende en dit, onderbouwd met documenten, over te leggen. Daarbij dient de man inzage te geven in de vraag of en zo ja op welke wijze het netto besteedbaar inkomen uit de eenmanszaak is verdisconteerd in dit overzicht. De vrouw zal in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren;
- de voormalige echtelijke woning staande en gelegen aan de [adres 1] te [plaats] , bezwaard met een hypothecaire schuld aan [naam] bestaande uit drie delen met nummers [deel 1] , [deel 2] en [deel 3] ;
- de inboedel.
3.De beslissing
18 februari 2021(onderbouwd met stukken) uit te laten over de aard en de status van de procedure in Spanje, zoals is overwogen onder punt 2.5.5.;
stelt de vrouw in de gelegenheid om:
- tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling van de man dat partijen zijn overeengekomen dat zij over 2013 niet zouden verrekenen, zoals overwogen onder punt 2.6.22;
- bewijs te leveren van haar stelling dat de in 2016 door haar ontvangen obligatie ter waarde van € 100.000,00 zag op compensatie voor misgelopen inkomsten en het aanwenden van haar spaargeld voor het betalen van kosten van de huishouding, zoals overwogen onder punt 2.6.24, en
- uiterlijk
- het bewijs te leveren van zijn stelling dat de agio-storting in 2017 in [zaak B] B.V. is gedaan met privé-vermogen van de man;
- het verrekenoverzicht over 2017 tot 4 maart 2018 op te stellen, met inachtneming van hetgeen is overwogen in punten 2.6.26 en volgende alsmede punt 2.6.48 betreffende de tot het te verrekenen vermogen van de vrouw behorende vordering ter zake de borgsom ad € 1.300,00 en dit verrekenoverzicht, onderbouwd met documenten uiterlijk
18 februari 2021in het geding dienen brengen;
de maandagen, dinsdagen en vrijdagen in de maanden februari 2021 tot en met mei 2021uiterlijk op
21 januari 2021aan de rechtbank door te geven, waarna de rechtbank een datum zal bepalen voor dit getuigenverhoor en de griffier partijen daartoe tijdig en op de juiste wijze zal oproepen;
- gelast als wijze van verdeling van de voormalige echtelijke woning, gelegen aan de [adres 1] te [plaats] , dat deze woning zal worden verkocht aan een derde, waarbij de opdracht tot verkoop van die woning door partijen zal worden verstrekt aan [makelaar] te [plaats] , die in overleg met partijen de vraag- en laatprijs van de woning zal bepalen,
- bepaalt dat de man een vergoedingsrecht heeft ter hoogte van € 68.773,78;
- bepaalt dat aan ieder van partijen toekomt de helft van de overwaarde van de voormalige echtelijke woning die resteert na aftrek van het vergoedingsrecht van de man van € 68.773,78;
- gelast als wijze van verdeling van de inboedel dat ieder van partijen de inboedel, toebedeeld krijgt die hij/zij onder zich heeft, zonder nadere verrekening over en weer,
- gelast als wijze van verdeling dat de man de auto toebedeeld krijgt, zonder nadere verrekening over en weer;
[datum] 2017 tot [datum] 2018 pro forma aan tot
18 februari 2021;
mr. S.M.J Korthuis-Becks, leden, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 11 januari 2021.