ECLI:NL:RBOBR:2021:1714
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke uitspraak over rentevergoeding bij vermindering belastingaanslag watersysteemheffing
In deze bestuursrechtelijke zaak draait het om de vraag of eiser recht heeft op een hogere rentevergoeding van €1,20 vanwege vermindering van een reeds betaalde belastingaanslag watersysteemheffing 2010. Eiser stelt dat de rente onjuist is berekend, met onjuiste rentepercentages en een onjuiste periode, en dat hij ten onrechte niet is gehoord.
De rechtbank stelt vast dat eiser inderdaad niet is gehoord, hoewel hij daar om had verzocht. Dit wordt echter gepasseerd op grond van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, omdat eiser niet is benadeeld: hij kon zijn bezwaren schriftelijk uiteenzetten en er is geen geschil over de feiten of waardering daarvan.
Verweerder voert aan dat eiser geen recht heeft op invorderingsrente omdat geen uitstel van betaling is gevraagd, hetgeen de rechtbank niet betwist. Ook wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af vanwege het geringe financiële belang (€1,20) en de jurisprudentie dat in dergelijke gevallen geen immateriële schade wordt aangenomen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan op 15 april 2021 door rechter G.H. de Heer-Schotman.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen wegens gering financieel belang.