ECLI:NL:RBOBR:2019:6672
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Terugvordering bijstand wegens niet-woonplaats en ontvangen inkomsten van derden
Eiser ontving sinds 2010 bijstand en stond vanaf 2017 ingeschreven op een adres buiten Eindhoven. Verweerder stelde vast dat eiser sinds 2017 niet meer in Eindhoven woonde en trok de bijstand vanaf die datum in. Daarnaast onderzocht verweerder de periode 2014-2016 en ontdekte dat eiser regelmatig gelden van derden ontving, wat leidde tot herziening van de bijstandsuitkering en terugvordering van €24.733,61.
Eiser voerde aan dat de stortingen van zijn moeder bedoeld waren voor haar verzorging en niet als inkomen moesten worden gezien. De rechtbank oordeelde dat volgens vaste rechtspraak kasstortingen en bijschrijvingen van derden als inkomen worden aangemerkt als zij periodiek zijn en voor levensonderhoud dienen. Eiser slaagde er niet in dit tegenbewijs te leveren en had de herkomst van bedragen onvoldoende onderbouwd.
Verder verwierp de rechtbank het beroep op het verbod van reformatio in peius en het nemo-teneturbeginsel. Ook het beroep op dringende redenen om af te zien van terugvordering faalde wegens gebrek aan concrete onderbouwing. De rechtbank concludeerde dat de herziening en terugvordering terecht waren en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de terugvordering van teveel ontvangen bijstand wordt ongegrond verklaard.