Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.Het procesverloop
2.De feiten
“Op de camerabeelden van afgelopen zondag 12 mei 2019 is te zien dat jij, terwijl ons bedrijf gesloten is, op de productielocatie in Geldrop het gebouw binnenkomt, naar het magazijn loopt, een tweetal dozen meeneemt en klaarzet bij de uitgang. Vervolgens open je met een sleutel een afgesloten vertrek van de afdeling marketing. Je loopt naar binnen en neemt hier ook een aantal dozen weg. Daarmee loop je naar buiten. Kort daarna kom je weer terug om de andere twee dozen, die je had klaargezet, mee te nemen. Je had hiervoor van niemand toestemming gevraagd of gekregen.
3.Het verzoek
4.Het verweer
5.De beoordeling
ernstigverwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] . Dat betekent dat Peijnenburg de transitievergoeding verschuldigd is. Peijnenburg heeft geen verweer gevoerd tegen de wijze waarop [werknemer] de vergoeding heeft berekend. Peijnenburg zal daarom worden veroordeeld tot betaling van die vergoeding tot een bedrag van € 76.775,- bruto. Met toepassing van artikel 7:686a lid 1 BW zal de gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding worden toegewezen te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 17 juni 2019.