1.11Verweerder heeft in bezwaar een nieuw advies gevraagd bij Treve. Op 23 maart 2018 heeft mevrouw T. Lebbink, arts bij Treve (hierna: Lebbink) advies uitgebracht.
Op de vraag of eiser in staat kan worden geacht om lichte en zware huishoudelijke taken (inclusief wasverzorging) uit te voeren antwoordt Lebbink:
"Ja. Cliënt wordt medisch gezien in staat geacht de voorkomende huishoudelijke taken in etappes gespreid over de dag en week en met gebruik van gangbare hulpmiddelen uit te voeren. Dit betreft zowel de lichte als de zware huishoudelijke werkzaamheden en de wasverzorging".
Op de vraag of de dochter in staat kan worden geacht om lichte en zware huishoudelijke taken uit te voeren antwoordt Lebbink:
"Dochter wordt medisch gezien in staat geacht passend bij haar leeftijd voorkomende huishoudelijke werkzaamheden te verrichten. Er is bij haar geen sprake van medische beperkingen ten aanzien van het verrichten van enige huishoudelijke taken".
Op de vraag of de partner in staat kan worden geacht om lichte en zware huishoudelijke taken (inclusief wasverzorging) uit te voeren antwoordt Lebbink:
"Partner is als gevolg van eigen medische problematiek ernstig beperkt in het verrichten van huishoudelijke taken. Zij kan een deel van de tijd zittend lichte taken verrichten, zware huishoudelijke taken kan zij niet verrichten".
Op de vraag of er sprake is van dreigende overbelasting bij eiser of de dochter antwoordt Lebbink:
"Cliënt is psychisch verminderd belastbaar en hij is kwetsbaar voor overbelasting door onder meer de zorg voor het huishouden en voor de partner (deze wil alleen hulp van hem bij de persoonlijke verzorging). Bij dochter zijn geen aanwijzingen voor (dreigende) overbelasting".
2. Bij bestreden besluit van 25 juli 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en vermeld dat eiser na afloop van de - verlengde - periode genoemd in de primaire besluiten 1, 2 en 3, dus vanaf 22 april 2018, geen huishoudelijke ondersteuning meer ontvangt. Daarbij geeft verweerder aan het advies van de bezwaarschriftencommissie (hierna: de commissie) te volgen. De commisie beschouwt het advies van Lebbink als een ‘second opinion’ over het advies van Beks. De commissie is van mening dat eiser op grond van de adviezen van Beks en Lebbink in staat moet worden geacht de voorkomende huishoudelijke taken in etappes gespreid over de dag en de week uit te voeren. Dit betreft zowel de lichte als de zware huishoudelijke werkzaamheden en de wasverzorging. De somatische problematiek van eiser geeft volgens de commissie aanleiding hooguit geringe beperkingen aan te nemen voor de zware huishoudelijke werkzaamheden. Daarnaast kan de dochter huishoudelijke taken op zich nemen. De dochter wordt medisch gezien in staat geacht om passend bij haar leeftijd huishoudelijke taken te verrichten zoals deze zich voordoen in een één-persoons huishouden. De partner is ernstig beperkt in het verrichten van huishoudelijke taken. Zij kan een deel van de tijd zittend lichte taken verrichten, maar geen zware huishoudelijke taken.
De commissie overweegt verder dat uit de adviezen van Beks en Lebbink blijkt dat eiser psychisch verminderd belastbaar is en kwetsbaar is voor overbelasting door onder meer de zorg voor het huishouden en zijn partner. De commissie concludeert dat eiser medisch gezien in staat wordt geacht om samen met zijn dochter en - in mindere mate - zijn partner, de huishoudelijke taken te verrichten. Uit artikel 1.2.1 Wmo, artikel 2.3.5, derde lid Wmo en artikel 4 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Helmond 2018 (hierna: de verordening) volgt, aldus de commissie, dat een maatwerkvoorziening zoals huishoudelijke ondersteuning alleen wordt verstrekt als iemand niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn of haar sociale netwerk, voldoende redzaam is. Op grond van vaste jurisprudentie kan van meerderjarige thuiswonende kinderen worden verwacht dat zij huishoudelijke hulp als gebruikelijke zorg verlenen. De commissie geeft aan dat uit de adviezen van Treve volgt dat de dochter medisch gezien in staat wordt geacht om huishoudelijke taken te verrichten en dat door eiser geen omstandigheden zijn aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat dit anders zou zijn. Dat de dochter een opleiding volgt en een bijbaan heeft, doet aan de mogelijkheid om gebruikelijke zorg te verlenen niet af volgens de commissie.
De commissie geeft verder aan zich af te vragen of eiser in staat is de regie over de huishoudelijke taken te voeren en overweegt dat het gezin op dit punt mogelijk begeleiding kan worden geboden. De commissie adviseert om eiser te wijzen op de mogelijkheid om begeleiding aan te vragen.
Over het bezwaar van eiser dat de indicatie ten onrechte is verlaagd van 2 uur naar 1,5 uur per week overweegt de commissie dat dit bezwaar niet kan slagen nu op grond van de Verordening en de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Helmond 2018 resultaatgericht wordt geïndiceerd en niet in uren.
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Op hetgeen door hem is aangevoerd zal de rechtbank hieronder, voor zover van belang, in gaan.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
Kwalificatie van het primaire besluit 2 van 6 februari 2018 en het primaire besluit 3 van 22 maart 2018.
5. Anders dan de commissie heeft aangegeven heeft het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit 1 van 9 november 2017 niet op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van rechtswege mede betrekking op de primaire besluiten 2 en 3 van
6 februari 2018 en 22 maart 2018 nu deze besluiten niet zien op een intrekking, wijziging of vervanging van het primaire besluit 1 van 9 november 2017. De primaire besluiten 2 en 3 van 6 februari 2018 en 22 maart 2018 kunnen echter wel worden gezien als een verlenging van het primaire besluit 1 van 9 november 2017, zoals verweerder ter zitting heeft bepleit en ook uit het bestreden besluit kan worden afgeleid. De primaire besluiten 2 en 3 van 6 februari 2018 en 22 maart 2018 zijn dan ook terecht door verweerder betrokken bij het bestreden besluit.
6. Eiser heeft op 21 april 2017 een aanvraag ingediend voor huishoudelijk ondersteuning. Bij besluit van 9 juni 2017 is aan eiser toegekend: "huishoudelijke ondersteuning plus met als resultaat een schoon en leefbaar huis". In het besluit van 9 juni 2017, en ook in de overige gedingstukken, wordt niet vermeld op hoeveel uren huishoudelijke ondersteuning eiser recht heeft. Eiser heeft onbetwist gesteld dat de zorgaanbieder - Savant - in de praktijk 2 uur per week huishoudelijke ondersteuning leverde.
Bij het primaire besluit 1 van 9 november 2017 is aan eiser "huishoudelijke ondersteuning basis met als resultaat een schoon en leefbaar huis" toegekend. De werking van het primaire besluit 1 is verlengd bij de primaire besluiten 2 en 3 van 6 februari 2018 en 22 maart 2018. Noch in de primaire besluiten van 9 juni 2017, noch in de overige gedingstukken zoals het op 29 augustus 2017 namens Savant ondertekende en op 31 augustus 2017 door verweerder ontvangen formulier 'Wmo-hulp bij het huishouden', wordt vermeld op hoeveel uren huishoudelijke ondersteuning eiser recht heeft. Eiser heeft echter onbetwist gesteld dat Savant sinds het primaire besluit 1 van 9 november 2017 in de praktijk nog slechts 1,5 uur huishoudelijke ondersteuning per week leverde.
Eiser voert aan dat die 1,5 uur per week onvoldoende is om het huis schoon te houden.
7. Net als in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 20 maart 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:982) blijkt in het geval van eiser uit de besluiten en de overige stukken niet op hoeveel uren huishoudelijke ondersteuning eiser recht heeft. De CRvB heeft in die uitspraak geoordeeld dat de hulpvrager (eiser) bij deze wijze van toekennen niet weet hoeveel huishoudelijke ondersteuning is verstrekt en op hoeveel uren huishoudelijke ondersteuning hij kan rekenen. De aanspraken van de hulpvrager zijn daarmee volgens de CRvB onvoldoende geconcretiseerd. 8. Nu ook eiser niet weet op hoeveel uren huishoudelijke ondersteuning hij recht heeft, is de rechtbank van oordeel dat de Wmo-aanspraken van eiser in het bestreden besluit, gelet op voormelde uitspraak van de CRvB, onvoldoende zijn geconcretiseerd. Het bestreden besluit moet reeds op die grond worden vernietigd.
9. De rechtbank zal uit oogpunt van finale geschilbeslechting hierna bezien of de rechtbank zelf in de zaak kan voorzien.
Toekenning van huishoudelijke ondersteuning voor de periode van 9 november 2017 tot22 april 2018 en beëindiging per die datum omdat eiser in staat wordt geacht om samen met dochter en partner huishoudelijke taken volledig uit te voeren.
10. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser samen met de dochter en de partner de huishoudelijke taken zodanig kan uitvoeren dat geen huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wmo noodzakelijk is. Gelet op hetgeen door eiser is ingebracht tegen het bestreden besluit komt de rechtbank tot de volgende vragen: is eiser medisch in staat om huishoudelijke taken te verrichten, kan van de dochter worden verwacht dat zij huishoudelijke taken verricht en bestaat er een risico op overbelasting voor eiser door de combinatie van het verrichten van huishoudelijke taken en de zorg voor zijn echtgenote.
De rechtbank zal hieronder op die vragen ingaan.
Eiser medisch in staat om huishoudelijke taken te verrichten?
11. Lebbink heeft in zijn advies aangegeven dat eiser medisch gezien in staat moet worden geacht de voorkomende huishoudelijke taken in etappes gespreid over de dag en week en met gebruik van gangbare hulpmiddelen uit te voeren. Dit betreft volgens Lebbink zowel de lichte als de zware huishoudelijke werkzaamheden en de wasverzorging. Dit advies van Lebbink moet worden beschouwd als een deskundigenrapport. De rechtbank ziet in hetgeen door eiser is aangevoerd, en ook overigens, geen reden om aan de bevindingen en conclusies van Lebbink te twijfelen. Ook ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat het rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder mocht dan ook op het advies van Lebbink afgaan. Nu door eiser geen stukken zijn overgelegd - zoals een tegenrapport - waaruit kan worden opgemaakt dat de bevindingen en conclusies van Lebbink onjuist zijn, is de rechtbank van oordeel dat verweerder kan worden gevolgd in het standpunt dat eiser medisch gezien in staat moet worden geacht de voorkomende huishoudelijke taken uit te voeren.
Kan van de dochter worden verwacht dat zij huishoudelijke taken verricht?
12. Naar vaste rechtspraak van de CRvB geldt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van14 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3384) dat van inwonende meerderjarige kinderen mag worden verwacht dat zij gebruikelijke zorg verlenen. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat van de dochter mag worden verwacht dat zij een deel van de huishoudelijke taken verricht. Dat de dochter een opleiding volgt en een bijbaan heeft acht de rechtbank onvoldoende voor een ander oordeel. Bovendien wijst verweerder er terecht op dat de dochter ook huishoudelijke taken zal moeten verrichten als zij zelfstandig gaat wonen, zoals ze van plan is. Dreigende overbelasting eiser
13. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij zijn partner verzorgt en daarnaast niet ook nog huishoudelijke taken kan verrichten.
14. Lebbink geeft in haar advies aan dat eiser kwetsbaar is voor overbelasting door onder meer de zorg voor het huishouden en voor de partner.
15. De rechtbank gaat er van uit dat verweerder zich niet (langer) op het standpunt stelt dat eiser de dreigende overbelasting kan verminderen door de persoonlijke verzorging voor zijn partner over te dragen, bijvoorbeeld door een pgb aan te vragen voor de persoonlijke verzorging en daarmee hulp bij het huishouden in te kopen.
16. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 19 december 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:3933) over de voorbereiding bij het nemen van een besluit over de Wmo en het te verrichten onderzoek daarbij overwogen dat artikel 3:2 van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Artikel 2.3.2 van de Wmo geeft voorschriften voor het onderzoek dat door het college dient te worden verricht naar aanleiding van een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning. Het eerste lid bepaalt dat het college, in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger(s) dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uitvoert overeenkomstig het tweede tot en met het achtste lid. Het tweede lid bepaalt dat een cliënt, voordat het onderzoek van start gaat, het college een persoonlijk plan kan overhandigen waarin hij zijn omstandigheden, zoals genoemd in deze bepaling, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Ingevolge het vierde lid, voor zover hier van belang, onderzoekt het college a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen;
c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen;
d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
f. de mogelijkheid om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van de publieke gezondheid te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid en participatie.
Het achtste lid bepaalt dat het college de ondersteuningsvrager een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt.
17. Verweerder heeft ter zitting over de vereiste voorbereiding en het te verrichten onderzoek aangegeven dat bij een Wmo-maatwerkvoorziening, zoals in het geval van eiser, de persoonskenmerken en omstandigheden van eiser een rol spelen.
18. Gelet op de uitspraak van CRvB van 19 december 2018 behoort verweerder dan ook onderzoek te doen naar de persoonskenmerken en omstandigheden van eiser. Verweerder heeft in dat kader niet betwist dat eiser zijn partner verzorgd, hetgeen overigens ook blijkt uit de adviezen van Beks en Lebbink. Verweerder heeft niet onderzocht wat de omvang is van de zorg die eiser verleent aan zijn partner. Ook uit de gedingstukken kan de rechtbank de omvang van die zorg niet opmaken.
19. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat de dreigende overbelasting zich alleen voordoet als de dochter niet ook haar deel van het huishouden doet. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. In het advies van Beks is weliswaar bij het onderwerp dreigende overbelasting opgenomen dat ook van de dochter kan worden verwacht dat zij huishoudelijke taken uitvoert, maar Lebbink zegt in haar rapport niet dat de dreigende overbelasting kan worden voorkomen als de dochter ook deelneemt aan de huishoudelijke taken. Lebbink signaleert enkel dat eiser kwetsbaar is voor overbelasting door de zorg voor het huishouden en voor zijn partner. Over de dochter zegt Lebbink alleen dat bij haar geen aanwijzingen zijn voor dreigende overbelasting. Dat de door Lebbink gesignaleerde dreigende overbelasting van eiser zich niet zou voordoen als de dochter haar deel van de huishoudelijke taken verricht, acht de rechtbank dan ook onvoldoende onderbouwd.
20. Uit het voorgaande volgt dat vaststaat dat eiser zijn partner verzorgd en dat eiser gelet op het advies van Lebbink kwetsbaar is voor overbelasting als hij naast het verzorgen van zijn partner ook de zorg voor het huishouden heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, onvoldoende onderbouwd waarom eiser naast de zorg voor zijn partner ook nog een deel van het huishouden kan doen. Het bestreden besluit is daarmee onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Het bestreden besluit moet ook om deze reden worden vernietigd.
21. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet uit oogpunt van finale geschilbeslechting aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Naar het oordeel van de rechtbank dient eiser door verweerder in aanmerking te worden gebracht voor huishoudelijke ondersteuning. Nu uit de gedingstukken en het door eiser ter zitting naar voren gebrachte volgt dat eiser tevreden was met de omvang van de huishoudelijke ondersteuning vanaf 9 juni 2017, te weten 2 uur per week, zal de rechtbank daarbij aansluiten. Dat betekent dat de rechtbank zal bepalen dat eiser vanaf 9 november 2017 recht heeft op huishoudelijke ondersteuning voor 2 uur per week.
22. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser voor het bijwonen van de zitting gemaakte reiskosten van € 18,20.
23. De rechtbank zal ook bepalen dat verweerder aan eiser het griffierecht van € 46,00 moet vergoeden.