ECLI:NL:RBOBR:2019:3687
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde van woning in hoger beroep tegen aanslag OZB
Eiser betwist de door de gemeente vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, gelegen te [woonplaats], per waardepeildatum 1 januari 2017. De gemeente had de waarde vastgesteld op €426.000, gebaseerd op een taxatierapport van een deskundige met drie vergelijkingsobjecten. Eiser vond de waarde te hoog maar kon geen eigen waarde onderbouwen.
De rechtbank oordeelt dat het verweerschrift en taxatierapport, hoewel laat ingediend, geen reden geven tot aanhouding omdat eiser voldoende gelegenheid had zich voor te bereiden. De objectkenmerken en vergelijkingsobjecten zijn niet weersproken en worden als passend beschouwd. De rechtbank concludeert dat de gemeente met het taxatierapport en de waardematrix voldoende inzicht heeft gegeven in de waardebepaling.
Eiser stelde meerdere bezwaren, waaronder strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel, onvoldoende rekening houden met ligging, privacy, verkeersoverlast, wateroverlast en perceelindeling. De rechtbank wijst deze gronden af, onder meer omdat correcties zijn toegepast en de bezwaren onvoldoende aannemelijk zijn gemaakt.
De vergelijking met andere woningen in de straat is volgens de rechtbank niet relevant voor de waardebepaling volgens de Wet WOZ. De rechtbank concludeert dat de gemeente de bewijslast heeft voldaan en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde van €426.000 wordt ongegrond verklaard en de waarde bevestigd.