Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
1.[eisers]
2.Stichting “Werkgroep Behoud De Peel”, te Deurne, eiseres 2
het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg(verder: GS Limburg) (gemachtigden: A. Geensen en
de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (LNV), thans minister van Economische Zaken (EZ).
- Op Limburgs grondgebied is het gebruik van bestaande beregeningsputten ten behoeve van de beregening voor open teelt voor de looptijd van het beheerplan uitgezonderd van de vergunningplicht, mits de maatregelen in hoofdstuk 6 worden uitgevoerd. Bestaande beregeningsputten zijn in dit verband aangeduid als putten die uiterlijk op 1 januari 2008 in het grondwaterregister zijn opgenomen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit had moeten onderzoeken of aan de door hem gestelde voorwaarde werd voldaan. Bij het ontbreken van die duidelijkheid, zou de mogelijkheid kunnen bestaan dat aan het einde van de looptijd van het beheerplan alsnog moet worden vastgesteld dat het gebruik van de bestaande beregeningsputten ten onrechte was uitgezonderd. In dat geval is het gebruik van beregeningsputten tijdens de looptijd van het beheerplan achteraf alsnog Wnb-vergunningplichtig en hebben de gebruikers de verboden in de Wnb overtreden. Daarmee hebben zij, achteraf bezien, mogelijk een strafbaar feit gepleegd op basis van de Wet economische delicten. Dat vindt de rechtbank in strijd met de rechtszekerheid.
- In Limburg is het gebruik van nieuwe beregeningsputten niet uitgezonderd. Verwarrend is dat hier wordt gerefereerd aan het beleid van het Waterschap Aa en Maas, terwijl er geen Limburgse gemeenten in het werkgebied van dit waterschap liggen.
- Verplaatsing van beregeningsputten buiten de bufferzones van verdroogde natuurgebieden is uitgezonderd, mits de onttrekking op grotere afstand van het Natura 2000-gebied komt en de oude put wordt gesaneerd. Het is onduidelijk of deze uitzondering alleen geldt in Limburg of ook in Noord-Brabant. Ook is onduidelijk wat de grondslag is voor de saneringsverplichting. Het is ook onduidelijk om welke verdroogde natuurgebieden het gaat.
- In Limburg is vergroting van de hoeveelheid te onttrekken water uitgezonderd van de Wnb-vergunningsplicht, mits de maatregelen in hoofdstuk 6 van het bestreden besluit worden uitgevoerd. Het is onduidelijk of is uitgezonderd tot een bepaalde hoeveelheid. Bovendien had verweerder bij het nemen van het bestreden besluit ook hier moeten onderzoeken of de door hem geformuleerde voorwaarde is vervuld.
- Tot slot wordt voor activiteiten aan de Brabantse zijde verwezen naar nadere regels in de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant en de in artikel 1.2 van deze verordening opgenomen vrijstelling. Het is niet duidelijk wat verweerder heeft bedoeld met deze verwijzing. Wordt deze verwijzing nu overgenomen in het bestreden besluit of niet? Het is evenmin duidelijk of met deze opmerking mede is bedoeld dat alle voorgaande uitzonderingen enkel betrekking hebben op het gebruik van Limburgse beregeningsputten.
- verklaart het beroep van eiseres 2 gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover hierin voor het gebruik van beregeningsputten ten behoeve van beregening voor de open teelt een uitzondering is gemaakt van de Wnb-vergunningsplicht op basis van artikel 2.7, tweede lid, of van de verboden in artikel 3.1 en 3.2, zesde lid, alsmede 3.5 en 3.6, tweede lid, al dan niet in samenhang met 3.10, tweede lid, van de Wnb;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- treft de voorlopige voorziening dat het gebruik van legale beregeningsputten ten behoeve van beregening voor de open teelt is uitgezonderd van de Wnb-vergunningsplicht, op basis van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb, of van de verboden in artikel 3.1 en 3.2, zesde lid, alsmede 3.5 en 3.6, tweede lid, al dan niet in samenhang met 3.10, tweede lid, van de Wnb, indien voor het gebruik van deze beregeningsputten toestemming is verleend, dan wel het gebruik van deze beregeningsputten is geregistreerd in een register van verweerder, het college van gedeputeerde staten van Limburg, het waterschap Aa en Maas of het waterschap Limburg of het voormalige waterschap Peel en Maasvallei vóór 1 januari 2001;
- bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt direct na bekendmaking, op de wettelijk voorgeschreven wijze, van het nieuwe besluit;