Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
10 maart 2015, 21 januari 2016, 6 oktober 2016, 31 oktober 2017, 17 september 2018,
19 september 2018, 25 september 2018, 26 september 2018, 1 oktober 2018, 2 oktober 2018, 5 oktober 2018, 8 oktober 2018, 9 oktober 2018, 10 oktober 2018, 11 oktober 2018, 16 oktober 2018, 17 oktober 2018, 18 oktober 2018, 23 oktober 2018, 24 oktober 2018,
25 oktober 2018, 29 oktober 2018, 30 oktober 2018, 31 oktober 2018, 1 november 2018 en 10 december 2018.
2: medeplegen van witwassen. Daartoe is aangevoerd dat deze verwijten niet, althans onvoldoende, feitelijk zijn omschreven.
De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging ook wat betreft de feiten 1 en 2 voldoende feitelijk en duidelijk is en voldoet aan de daaraan in artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 6, derde lid, onder a van het Europees Verdrag voor de rechten van de Mens (EVRM) gestelde eisen.
“criminele organisatie” en“
inkomende (en uitgaande) geldstromen via [Engelse vennootschap] , [verdachte vennootschap 1] en paymentserviceproviders”. Deze vermeldingen hadden een nuttige functie.
Op basis van dat onderzoek is de verdenking ontstaan dat de bedrijven, waarvoor verdachte boekhoudkundige en fiscale werkzaamheden verrichtte, betrokken waren bij overtredingen van de Wet op de kansspelen (hierna: Wok). Het aan verdachte verweten witwassen van inkomsten die uit die kansspelen kwamen, is onlosmakelijk met die verdenking verbonden. Om die reden heeft de verdediging aangesloten bij het verweer tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
Nieuwe ronde, nieuwe kansen’dat op 20 november 2000 aan de Tweede Kamer is aangeboden, blijkt dat vanwege capaciteitsproblemen bij het justitieel apparaat niet altijd werd opgetreden tegen overtredingen van de Wok. [8] Deze situatie werd als ongewenst ervaren. Daarom zijn door het kabinet enkele beleidswijzigingen aangekondigd in de aanpak van illegaal kansspelaanbod. Daarbij is ingezet op een intensivering van de handhaving onder meer door een gecombineerd en integraal handhavingstraject. In dit verband werd medio 2001 onder meer het Projectbureau kansspelen ingesteld. [9]
- waarvan de website, waarop het kansspel gespeeld werd, eindigde op .nl en/of
- waarvan de kansspelwebsite in de Nederlandse taal te raadplegen was, en/of
- die reclame maakte via radio, televisie of in geprinte media reclame gericht op de Nederlandse markt.
Uit misdrijf afkomstigDe rechtbank stelt vast dat het geldbedrag van € 4.147.581,- dat [verdachte vennootschap 1] aan [aandeelhouder kansspelaanbieder 1] heeft betaald, afkomstig was uit het aanbieden van online kansspelen in Nederland en daarmee dat dit bedrag afkomstig was uit een misdrijf. Gelet op de rol en positie van [aandeelhouder kansspelaanbieder 1] binnen de organisatie, gaat de rechtbank ervan uit dat [aandeelhouder kansspelaanbieder 1] wist dat het geld uit misdrijf afkomstig was.
1.€ 135.000,00
€ 540.000,-. Uit het dossier komt naar voren dat de stortingen te maken hebben met de aankoop door [verdachte vennootschap 3] van een pand aan de [adres 2] in Hoofddorp. [hoofdverdachte 2] heeft tezamen met drie mede-investeerders in (de aankoop van) het pand deelgenomen, waarbij betaling van een waarborgsom en bemiddelingsfee van € 535.000 is overeengekomen. Ten behoeve van die waarborgsom/bemiddelingsfee hebben de vier investeerders elk 135.000 hebben ingebracht. Op 29 en 30 december 2008 is de waarborgsom/bemiddelingsfee in drie delen overgemaakt van de derdengeldrekening van de Stichting onder de noemers ‘Borgsom aankoop [hoofdverdachte 2] Hoofddorp’ en ‘1e termijn bemiddelingsfee etc’. Verdachte heeft dienaangaande verklaard dat hij het geld zou verzamelen als dienst aan een klant. Tevens heeft hij verklaard dat hij erbij betrokken was als adviseur van [hoofdverdachte 2] met betrekking tot de financieringsaanvraag en het beoordelen van contracten.
De geldbedragen zijn via de derdengeldrekening gelopen, zodat hij ervoor kon zorgen dat de waarborgsom tijdig zou worden betaald, hetgeen bij een reguliere betaling via de bank tegen het einde van het jaar niet gegarandeerd zou zijn.
2.€ 2.050,00
3.€ 48.159,=
Service-fee for payment facilities”.
In de administratie van [verdachte vennootschap 2] mis ik nog enkele facturen. Het betreft de volgende verkoopfacturen: (…)”.[verdachte] vraagt om de 8 hiervoor genoemde facturen over 2009 en 2010 en geeft zelf de financiële gegevens (de cijfers) door die [betrokkene 9] in de facturen moet opnemen. Ook vermeldt [verdachte] in de e-mail dat de facturen aan [Costa Ricaanse vennootschap/kansspelaanbieder 2] moeten worden gericht en noemt daarbij de adresgegevens van [Costa Ricaanse vennootschap/kansspelaanbieder 2] . Nadat [betrokkene 9] diezelfde dag aan [verdachte] vraagt “
Wat is geleverd, wat is de omschrijving” stuurt [betrokkene 9] op 15 maart 2012 de gevraagde facturen aan [verdachte] .
- 54 facturen van [aandeelhouder kansspelaanbieder 1] aan [verdachte vennootschap 1] met een waarde van € 1.552.000,00,
- facturen van [verdachte vennootschap 1] aan [aandeelhouder kansspelaanbieder 1] over de jaren 2007 (waarde € 1.977.947,79) en 2008 (waarde € 1.726.668,58)
(concept)jaarrekening van [verdachte vennootschap 2] over periode 12 juli 2008 tot en met
31 december 2009)
een management overeenkomst en/of een transaction agreement voor [aandeelhouder kansspelaanbieder 1] ,
- of de verdachte – in zijn algemeenheid – wist dat de organisatie het oogmerk had tot het plegen van misdrijven (waarbij voorwaardelijk opzet niet voldoende is) en
- of de verdachte een aandeel heeft gehad c.q. ondersteunende handelingen heeft verricht, gericht op verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
Bij deze beoordeling speelt een belangrijke, maar geen beslissende rol of een verdachte wordt veroordeeld voor één van de afzonderlijke ten laste gelegde andere feiten in het kader van de criminele organisatie. In dit kader wordt nog opgemerkt dat niet vereist is dat komt vast te staan dat een persoon moet hebben samengewerkt met, althans bekend is geweest met alle andere natuurlijke en rechtspersonen die deel uitmaken c.q. uitmaakten van de organisatie.
Gelet op deze aanvullende diensten, die – naar nu blijkt – een veroordeling voor witwassen en valsheid in geschrifte opleveren, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] persoonlijk een ondersteunende rol heeft gehad in de verwezenlijking van het doel van de criminele organisatie, te weten het (kunnen blijven) aanbieden van online kansspelen in Nederland. Alles wat [verdachte] heeft gedaan in het kader van aanvullende service was hier immers op gericht. De rechtbank vindt dan ook bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan de criminele organisatie in de periode van 1 oktober 2007 tot en met 24 mei 2013.
Overschrijding van de redelijke termijn leidt - gelijk hiervoor overwogen - niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen, maar kan wel aanleiding geven tot compensatie van de op te leggen straf.
a. de ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte.
b. de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, en het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.
c. de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoeken/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.
Naar aanleiding van dat onderzoek door de rechter-commissaris, de getuigenverhoren en in verband met de veertien inmiddels ook door het Openbaar Ministerie gedagvaarde rechtspersonen heeft een tweede regiezitting Rykiel plaatsgevonden op 21 januari 2016. Hierna zijn door de rechter-commissaris wederom getuigen gehoord.
Om die reden heeft de rechtbank op 6 oktober 2016 een planningszitting gehouden waarna de rechtbank aan de rechter-commissaris heeft opgedragen een notitie te verspreiden met een inventarisatie van de in beslag genomen stukken waarover door de Hoge Raad reeds een beslissing is genomen en van de in beslag genomen stukken waarover nog een beslissing moest worden genomen. De rechter-commissaris heeft vervolgens op 29 november 2016 een regiebijeenkomst gehouden en is bij brief van 31 mei 2017 tot een afronding van zijn werkzaamheden gekomen.
Resumerend is de rechtbank derhalve van oordeel dat het recht van verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden en dat deze termijn met een periode van 2 jaren is overschreden. De rechtbank wil in deze zaak niet volstaan met de constatering dat het recht van verdachte op berechting binnen redelijke termijn is geschonden maar verbindt aan deze constatering tevens gevolgen voor wat betreft de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf in die zin dat een korting wordt toegepast van 20%. In plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden zal de rechtbank aan verdachte aldus opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden.
gevangenisstrafvoor de duur van
7 (zeven) maandenmet aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek Pro van Strafrecht;
ontzettinguit het
rechtom
enig beroep in de financiële en fiscale dienstverleninguit te oefenen voor de duur van
3 (drie) jaar.