Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 april 2018 in de zaak tussen
[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres,
de heffingsambtenaar van de gemeente Meierijstad, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
strijd doelstelling wetgever/algemene rechtsbeginselen”genoemd: “
Uitgangspunt van de wetgever ten aanzien van gemeentelijke legesheffing is voorts dat gemeenten daarbij geen winst mogen maken, dat alleen kosten mogen worden verhaald die direct – en aantoonbaar – verband houden met de geleverde dienst.” Deze in cursief gedrukte zin behelst echter slechts een algemene constatering over dit uitgangspunt van de wetgever. Daarmee wordt op geen enkele wijze gemotiveerd gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat de gemeente in casu de opbrengstlimiet van artikel 229b Gemeentewet zou hebben geschonden. Vervolgens worden slechts argumenten naar voren gebracht waarom volgens eiseres de Legesverordening 2016 onverbindend is vanwege strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van eiseres gelegen in de vóór de zitting ingediende stukken duidelijk te stellen dat zij een beroep deed op de onverbindendheid van de Legesverordening 2016 wegens strijd met de opbrengstlimiet. Zulks te meer, nu uit het verweerschrift van 13 juli 2017 duidelijk blijkt dat verweerder het aanvullend beroepschrift van eiseres niet heeft begrepen als een beroep op overschrijding van de opbrengstlimiet. Na ontvangst van het verweerschrift had eiseres nog alle gelegenheid om haar beroepsgronden op dit punt aan te vullen. Nu eiseres dit heeft nagelaten en pas voor het eerst op zitting een beroep heeft gedaan op overschrijding van de opbrengstlimiet, laat de rechtbank deze nieuwe beroepsgrond wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing.