Eiseres, een besloten vennootschap, betwist de door verweerder vastgestelde WOZ-waarden van drie bedrijfsobjecten gelegen in de gemeente Boxmeer voor het kalenderjaar 2016. Verweerder had de waarden vastgesteld op respectievelijk €431.000, €431.000 en €522.000, terwijl eiseres lagere waarden van €323.000, €323.000 en €391.000 voorstelde.
Tijdens de zitting bleek dat noch verweerder noch eiseres hun waarderingen voldoende aannemelijk hadden gemaakt. Verweerder baseerde zich op taxatierapporten en waardematrices, maar de onderliggende huurwaarden en kapitalisatiefactoren waren niet verifieerbaar en ontbraken aan concrete onderbouwing. Ook was onduidelijkheid over de objectafbakening van twee van de drie bedrijfsobjecten.
De rechtbank oordeelde dat zij op basis van de beschikbare gegevens en toelichtingen niet in staat was de WOZ-waarden vast te stellen, ook niet door schatting. Daarom vernietigde zij de bestreden uitspraak en droeg verweerder op een nieuwe uitspraak op bezwaar te nemen, waarbij nader onderzoek naar feiten en objectafbakening noodzakelijk is.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.