Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de meervoudige kamer van 4 april 2017 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, verweerder
de minister van Defensie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
22 december 2009 (Stcrt. 2009, 20556);
19 december 2011 (Stcrt. 2011, 23900);
24 augustus 2012 (Stcrt. 2012, 117909);
35 Ke-norm niet alleen die prognose, maar ook de andere variabelen (geluid per vliegtuig, tijdstip van vliegen) een rol spelen. Vanaf 1982 was met de opeenvolgende ontheffingen duidelijk dat burgerluchtvaart werd toegestaan op het luchthaventerrein. In de ontheffingen was weliswaar vanaf 1986 een maximaal aantal toegestane vliegbewegingen opgenomen, maar dat gebeurde op aanvraag van de luchthaven zelf en niet ambtshalve. Daarbij is steeds onderzocht of de geluidsbelasting bleef binnen het maximum van de 35 Ke-contour. Ook binnen de systematiek die gold vanaf inwerkingtreding van het Luchthavenbesluit Eindhoven, vindt het maximaal aantal toegestane vliegbewegingen zijn basis in wat de exploitant zelf aanvraagt en is uitgangspunt dat in de medegebruiksvergunningen niet meer mag worden vergund dan de maximaal toegelaten gebruiksruimte (35 Ke) die is vastgelegd in dat Luchthavenbesluit.
Beslissing
mr. J. Heijerman, leden, in aanwezigheid van mr. F.A.M.C. Habraken-Hermans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2017.