ECLI:NL:RBOBR:2016:6971

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
20 december 2016
Publicatiedatum
19 december 2016
Zaaknummer
16_2552
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:88 AwbArt. 7:15 AwbWet nadeelcompensatieBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om aanvullende schadevergoeding voor kosten rechtsbijstand bezwaarprocedure

Eiseres was werkzaam als boekhouder en ontving vanaf februari 2015 een WW-uitkering. Na het faillissement van haar werkgever vroeg zij bij het UWV overname van betalingsverplichtingen aan, welke aanvankelijk werd afgewezen. Na bezwaar werd het besluit herroepen en een uitkering toegekend, waarbij proceskosten werden vergoed volgens het forfaitaire tarief van €496.

Eiseres verzocht vervolgens om aanvullende schadevergoeding voor de niet-vergoede kosten van rechtsbijstand tijdens de bezwaarprocedure, ter hoogte van €2.820,29. Dit verzoek werd door verweerder afgewezen op grond van het limitatieve karakter van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

De rechtbank oordeelt dat artikel 8:75 Awb Pro een exclusieve regeling vormt voor vergoeding van kosten in bezwaar en dat artikel 8:88 Awb Pro geen aanvullende vergoeding toestaat. De rechtbank verwijst naar eerdere jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep ter onderbouwing van dit standpunt en wijst het verzoek van eiseres af.

Uitkomst: Het verzoek om aanvullende schadevergoeding voor niet-vergoede kosten van rechtsbijstand in de bezwaarprocedure wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 16/2552
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 december 2016 op het verzoek om schadevergoeding in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Bij verzoekschrift van 15 juli 2016 heeft verzoekster op grond van de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten de rechtbank verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van schade.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verzoekster heeft op 7 november 2016 aanvullende stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2016. Verzoekster is verschenen. Namens verweerder is niemand verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Verzoekster was tot 11 februari 2015 werkzaam als boekhouder bij [bedrijf] . Vanaf 11 februari 2015 ontvangt verzoekster een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Op 28 oktober 2015 is het faillissement van [bedrijf] uitgesproken. Op 5 november 2015 heeft verzoekster bij verweerder een aanvraag tot overname betalingsverplichtingen van haar ex-werkgever (hoofdstuk IV van de WW) ingediend.
2. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 25 november 2015 afgewezen. Verzoekster heeft daartegen bezwaar gemaakt en zich daarbij laten bijstaan door een professionele rechtsbijstandverlener. Verweerder heeft bij besluit van 11 mei 2016 het bezwaar gegrond verklaard en alsnog een uitkering op grond van hoofdstuk IV van de WW toegekend. Verweerder heeft tevens de proceskosten vergoed tot een bedrag van € 496,00, zijnde het forfaitaire tarief voor het indienen van een bezwaarschrift.
3. Bij brief van 14 juni 2016 heeft verzoekster verweerder verzocht om vergoeding van haar schade, bestaande uit de (niet vergoede) kosten van rechtsbijstand voor de bezwaarprocedure. De schade is begroot op € 2.820,29. Ter onderbouwing van de vordering heeft verzoekster nota’s en de bijbehorende urenregistratie overgelegd.
4. Bij besluit van 29 juni 2016 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Volgens verweerder kan in de bezwaarfase slechts een vergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) worden toegekend en dat heeft verweerder gedaan. Het in het Bpb opgenomen stelsel met forfaitaire vergoedingen heeft een limitatief karakter.
5. Verzoekster heeft daarop haar verzoek bij de rechtbank ingediend.
6. Indien op basis van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vergoeding wordt gevraagd van in de bezwaarfase gemaakte kosten, stellen artikelen 7:15 en 8:75 van de Awb en het daarop gebaseerde Bpb regels. Op grond van deze regels is eiseres in verband met het herroepen van het besluit van 25 november 2015 een vergoeding van haar kosten in bezwaar toegekend. Het verzoek van eiseres om verweerder met toepassing van artikel 8:88 van Pro de Awb te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding, bestaande uit de kosten in bezwaar die niet met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb kunnen worden vergoed, moet worden afgewezen, aangezien artikel 8:75 van Pro de Awb een exclusieve regeling inhoudt. Daarom is voor een (aanvullende) vergoeding van proceskosten met toepassing van artikel 8:88 van Pro de Awb geen plaats. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 december 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:4828).
7. Het verzoek van verzoekster om vergoeding van schade bestaande uit de (niet vergoede) kosten van rechtsbijstand voor de bezwaarprocedure wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Rijnbeek, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.D.H. Selhorst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2016.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.