ECLI:NL:RBOBR:2015:247
Rechtbank Oost-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herziening studiefinanciering wegens woonplaatscontrole en toepassing hardheidsclausule
Eiser ontving studiefinanciering als uitwonende student vanaf 1 augustus 2012, terwijl hij volgens de gemeente was ingeschreven op het adres van zijn oom en tante. Na een huisbezoek op 21 mei 2014 concludeerde verweerder dat eiser feitelijk niet meer op dat adres woonde, waardoor de uitwonendenbeurs werd omgezet in een thuiswonendenbeurs en een bedrag van €4.291,55 werd teruggevorderd.
Eiser stelde dat hij tot eind april 2014 op het adres woonde, maar tijdelijk was vertrokken vanwege een ruzie. De rechtbank achtte de verklaring van de hoofdbewoonster, die bevestigde dat eiser sinds 3 à 4 weken niet meer woonde op het adres, en de bevindingen van het huisbezoek doorslaggevend. Persoonlijke spullen van eiser werden aangetroffen, wat bevestigde dat hij tot kort voor het huisbezoek daar woonde.
De rechtbank oordeelde dat de hardheidsclausule van artikel 9.9, tweede lid, Wsf 2000 ook van toepassing is als uit het huisbezoek blijkt dat de studerende tot voor kort op het adres woonde. Daarom moest de herziening en terugvordering beperkt blijven tot de periode vanaf 1 mei 2014. Het beroep van eiser werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen voor de periode 1 augustus 2012 tot 1 mei 2014. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de terugvordering van studiefinanciering wordt beperkt tot de periode vanaf 1 mei 2014.