Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT
- geen hoofdelijkheid kan en mag worden toegepast;
- de verbeurd verklaarde goederen buiten beschouwing worden gelaten voor de berekening, althans op die berekening in mindering worden gebracht;
- de goederen ten aanzien waarvan veroordeelde is vrijgesproken buiten de berekening van het voordeel worden gelaten;
- een vergelijking tussen de daadwerkelijk door veroordeelde verkregen vermogensbestanddelen en door veroordeelde gedane uitgaven enerzijds en legale inkomsten anderzijds dient plaats te vinden;
- er rekening dient te worden gehouden met het onschuldbeginsel (artikel 6, tweede lid, van het EVRM) en de overschrijding van de redelijke termijn;
- er rekening dient te worden gehouden met de ernstig verminderde draagkracht van veroordeelde.
- de vordering te worden afgewezen, omdat geen door veroordeelde daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden vastgesteld, rechtsherstel heeft plaatsgevonden door middel van de verbeurdverklaring(en), dan wel haar legale inkomsten een afdoende herkomst bieden voor haar uitgaven en beschikbare vermogensbestanddelen;
- het te ontnemen bedrag aanzienlijk lager uit te komen dan door het openbaar ministerie is gevorderd.
1.De vordering.
2.Het vonnis in de hoofdzaak.
3.De bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
- 1 januari 2007 tot en met 13 maart 2007: € 3.931,-;
- 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006: € 16.037,-;
- 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005: € 15.507,-;
- 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004: € 15.524,-;
- 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003: € 5.816,- (pag. 7714).
- 1 januari 2007 tot en met 13 maart 2007: € 13.412,-;
- 1 januari 2006 tot en met 31 december 2006: € 12.309,-;
- 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005: € 11.984,-;
- 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004: € 10.729,-;
- 1 januari 2003 tot en met 31 december 2003: € 10.421,-;
- 1 januari 2002 tot en met 31 december 2002: € 17.308,- (pag. 7715).
- aan bouwkosten van het chalet: € 360.400,-;
- aan voertuigen: € 135.100,-;
- aan paarden: € 101.153,85;
- aan sieraden: € 63.280,-;
- overig: € 137.329,26;
€ 108.000,-.
4.De redelijke termijn
LJN:BD2578, r.o. 3.12.2) heeft de Hoge Raad overwogen dat de redelijke termijn in ontnemingszaken begint op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijke verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt. In het algemeen zal als aanvangsdatum voor de redelijke termijn aangenomen kunnen worden:
5.De draagkracht van veroordeelde
€ 103.000,00(zegge: éénhonderd drieduizend euro), ter ontneming van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel, dat zij door middel van of uit de baten van de feiten ter zake waarvan zij is veroordeeld, heeft verkregen.