ECLI:NL:HR:2013:BX4604
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest wegens onvoldoende motivering betalingsverplichting profijtontneming
In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij de betrokkene en haar mededader hoofdelijk werden veroordeeld tot betaling van het totale bedrag. De Hoge Raad oordeelde dat het hof bij het vaststellen van de betalingsverplichting een gemotiveerde beslissing had moeten nemen over het deel van het voordeel dat daadwerkelijk door de betrokkene was genoten.
De wetgeving wijzigde per 1 juli 2011 met de toevoeging van het zevende lid aan art. 36e Sr, waardoor de rechter kon bepalen dat meerdere betrokkenen hoofdelijk of voor een bepaald deel aansprakelijk zijn. Voor die datum was het Nederlandse recht minder duidelijk over de verdeling van het voordeel. De Hoge Raad verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd gesteld dat de maatregel tot ontneming ziet op het voordeel dat de betrokkene zelf heeft verkregen.
Omdat het hof in deze zaak geen gemotiveerde beslissing had gegeven over het aandeel van de betrokkene in het gezamenlijke voordeel, kon de betalingsverplichting niet toereikend gemotiveerd worden geacht. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling op basis van het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.