ECLI:NL:RBNNE:2026:859

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
25/5409
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:82 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling college tot proceskostenvergoeding na intrekking voorlopige voorziening Participatiewet

Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal om haar aanvraag voor een uitkering op grond van de Participatiewet af te wijzen. Zij diende een verzoek om voorlopige voorziening in, dat op 28 januari 2026 op zitting werd behandeld. Op 18 februari 2026 trok verzoekster dit verzoek in nadat het college op 10 februari 2026 had besloten alsnog een uitkering toe te kennen.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek van verzoekster om het college te veroordelen in de proceskosten. Volgens artikel 8:75a van de Awb kan een bestuursorgaan bij intrekking van een voorlopige voorziening worden veroordeeld in de proceskosten indien het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan het verzoek. Het college had dit gedaan door de uitkering toe te kennen.

Er waren geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering op deze regel rechtvaardigden. Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek om proceskostenveroordeling toe en legde het college een vergoeding van €1.868,- op, gebaseerd op de door de gemachtigde verrichte proceshandelingen. Daarnaast wees de voorzieningenrechter erop dat het college het betaalde griffierecht van €53,- kan vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter C.H. de Groot op 18 maart 2026.

Uitkomst: Het college wordt veroordeeld tot betaling van €1.868,- aan proceskosten aan verzoekster na intrekking van haar voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/5409

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 maart 2026 in de zaak tussen

[naam 1 uit woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. B. van Dijk),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Stadskanaal

(gemachtigde: W. Vloo).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van 12 december 2025 tot afwijzing van haar aanvraag voor een uitkering ingevolge de Participatiewet. Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 12 december 2025.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de partner van verzoekster [naam 2] , de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van het college.
1.2.
Zij heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 18 februari 2026 ingetrokken omdat het college op 10 februari 2026 heeft aangegeven dat zij heeft besloten aan verzoekster een uitkering ingevolge de Participatiewet toe te kennen.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Het college heeft hierop niet gereageerd.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [1]
3.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. [2]
Is het college aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Het college is met het haar besluit om aan verzoekster een uitkering ingevolge de Participatiewet toe te kennen aan verzoekster tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. [3] Verzoekster heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. [4] Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om het college in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient het college te vergoeden?
5. De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoekster heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. De voorzieningenrechter wijst erop dat het college het door verzoekster betaalde griffierecht van € 53,- kan vergoeden. [5] Verzoekster moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden.

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van H. Siebers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
2.Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
3.Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
4.Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
5.Dat staat in artikel 8:82, zesde lid, van de Awb.