ECLI:NL:RBNNE:2026:735

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
25/1899
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 ParticipatiewetArt. 17 ParticipatiewetArt. 54 ParticipatiewetArt. 58 ParticipatiewetArt. 475b Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet-woonachtig op opgegeven adres

Eiser ontving een bijstandsuitkering vanaf 30 augustus 2022. Het college trok deze uitkering in en vorderde het ten onrechte ontvangen bedrag terug over de periode van 22 september 2022 tot 1 september 2024, omdat eiser niet op het opgegeven adres woonde.

De toezichthouder voerde onderzoek uit naar het woon- en verblijfadres van eiser, waarbij bleek dat het waterverbruik extreem laag was, wat de vooronderstelling rechtvaardigt dat eiser niet zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Eiser voerde tegenargumenten aan over de juistheid van de meterstanden en het elektriciteitsverbruik, maar deze werden door de rechtbank verworpen.

De rechtbank stelde vast dat eiser zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen en dat het college daarom terecht het recht op bijstand heeft ingetrokken. Ook was er geen dringende reden om van terugvordering af te zien, mede omdat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat de terugvordering onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen zou hebben.

Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en hij kreeg geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter P.G. Wijtsma op 27 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens niet-woonachtig zijn op het opgegeven adres.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1899

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Drachten, eiser

(gemachtigde: mr. E.A. van Wieren),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Smallingerland, het college
(gemachtigde: W.R. Rozema).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser over de periode van 22 september 2022 tot 1 september 2024 omdat hij volgens het college niet woonde op het door hem opgegeven adres. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college eisers bijstandsuitkering over voornoemde periode terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eisers bijstandsuitkering over de periode van 22 september 2022 tot 1 september 2024 terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Met een besluit van 22 november 2024 heeft het college eisers bijstandsuitkering over de periode van 22 september 2022 tot 1 september 2024 ingetrokken en teruggevorderd. Met het bestreden besluit van 14 april 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.
2.4.
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht uiterlijk zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten
3.1.
Het college heeft met een besluit van 17 januari 2023 aan eiser een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande toegekend met ingang van 30 augustus 2022.
3.2.
Nadat eiser zonder voorafgaande melding en toestemming meerdere periodes in het buitenland had verbleven, heeft een toezichthouder van de gemeente Smallingerland op
17 september 2024 onderzoek ingesteld naar eisers recht op bijstandsuitkering. In dit kader heeft de toezichthouder onderzoek verricht naar eisers woon- en verblijfssituatie. Hij heeft zijn onderzoeksbevindingen neergelegd in zijn rapport van 1 november 2024.
Bestreden intrekking en terugvordering
4. Het college heeft eisers recht op bijstandsuitkering met ingang van 22 september 2022 ingetrokken en de vanaf die datum tot 1 september 2024 ten onrechte aan hem verstrekte bijstand ad € 34.001,32 van hem teruggevorderd. Hieraan ligt het standpunt van het college ten grondslag dat eiser in de periode van 22 september 2022 tot 1 september 2024 niet woonachtig was op het uitkeringsadres. Hierbij is aangegeven dat uit het verrichte onderzoek naar voren komt dat het waterverbruik extreem laag is, dat dit de vooronderstelling rechtvaardigt dat eiser niet zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres, dat het dan aan hem is om het tegendeel aannemelijk te maken en dat hij daarin niet geslaagd is. Het college heeft hierbij verder aangegeven dat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of hij ten tijde in geding in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde. Tot slot is aangegeven dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de terugvordering zodanige onaanvaardbare financiële of sociale consequenties zal hebben, dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Beroepsgronden
5. Eiser vindt dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode van
22 september 2022 tot 1 september 2024 niet op het uitkeringsadres woonde. Hij voert aan dat het waterverbruik nimmer door hem is doorgegeven. Verder komen de waterstanden van het waterbedrijf niet overeen met de werkelijk geregistreerde meterstanden. Eiser stelt verder dat de verhuurder de meterstanden van de elektriciteit niet kon aflezen vanwege een verouderd systeem. Bovendien is sprake van stadsverwarming, wat het verbruik ook weer anders maakt. Eiser meent dan ook dat deze standen niet juist en/of onvolledig zijn en dus niet kunnen worden meegenomen in de beoordeling. Eiser is van mening dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het zwaartepunt van zijn leven in Drachten gelegen is. Hij wijst hierbij op de overgelegde bankafschriften en de daaruit blijkende pintransacties. Eiser brengt daarnaast naar voren dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest. Hij heeft de bejegening door de betrokken medewerker als bijzonder onplezierig ervaren en hij heeft een klacht ingediend omdat hij herhaaldelijk maar vergeefs heeft verzocht om een andere medewerker. Eiser is ook van mening dat op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten worden afgezien.
Onderzoek toezichthouder
6.1.
De rechtbank stelt vast dat de betrokken toezichthouder in het kader van zijn onderzoek naar eisers woon- en verblijfssituatie informatie heeft opgevraagd bij de verhuurder (WoonFriesland), het waterbedrijf (Vitens) en de elektriciteitsleverancier (Vattenfall) over het water-, elektriciteits- en warmteverbruik op het door eiser opgegeven woonadres (uitkeringsadres). Verder heeft de toezichthouder samen met de consulent op
8 oktober 2024 en op 22 oktober 2024 met eiser gesproken.
6.2.
De omstandigheden dat eiser de bejegening door de betrokken toezichthouder als bijzonder onplezierig heeft ervaren en dat niet tegemoetgekomen is aan zijn herhaaldelijk verzoek om een andere medewerker, maakt niet dat het door de toezichthouder verrichte onderzoek onzorgvuldig moet worden geacht. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat zij geen reden ziet om er aan te twijfelen dat de toezichthouder bij zijn onderzoek en in de contacten met eiser de van hem te verlangen professionaliteit en integriteit in acht heeft genomen. Blijkens diens rapport heeft het onderzoek van deze medewerker zich gericht op vaststelling van de relevante feiten en omstandigheden en heeft hij gepoogd hierover met eiser in gesprek te komen. Dat eiser er voor gekozen heeft om het eerste gesprek voortijdig te beëindigen en om tijdens het tweede gesprek geen vragen van de toezichthouder over de uitkering te beantwoorden, moet voor zijn rekening worden gelaten.
Waterverbruik
7.1.
De rechtbank stelt vast dat de bestreden intrekking en de terugvordering van eisers bijstandsuitkering over de periode van 22 september 2022 tot 1 september 2024 omdat hij niet woont op het door hem opgegeven woonadres, in de eerste plaats gebaseerd zijn op het volgens het college extreem lage waterverbruik op dit adres.
7.2.
Volgens vaste rechtspraak is een waterverbruik van maximaal 7 m³ per jaar per huishouden – ongeacht het aantal personen van dit huishouden – extreem laag. Een extreem laag waterverbruik rechtvaardigt de vooronderstelling dat de woning niet wordt bewoond en dat de betrokkene dus niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Het is dan aan de betrokkene om het tegendeel aannemelijk te maken. [1]
7.3
Het standpunt van het college dat in de periode van 22 september 2022 tot 1 september 2024 op eisers uitkeringsadres sprake was van extreem laag waterverbruik, is gebaseerd op de watermeterstanden die de verhuurder aan de toezichthouder heeft doorgegeven. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat deze gegevens juist zijn. De omstandigheid dat de van Vitens verkregen meterstanden (op één na) niet overeenkomen met de door de verhuurder geregistreerde meterstanden, doet hieraan niet af. Blijkens hetgeen een medewerker van Vitens hierover desgevraagd aan de toezichthouder heeft verklaard, baseert Vitens zich namelijk op de meterstanden die door de verhuurder zijn opgenomen en verstrekt, maar zijn deze meterstanden niet altijd direct, niet of niet correct in de eigen registratie van Vitens verwerkt. Hierdoor zijn in het systeem van Vitens afwijkende meterstanden en opnamedata geregistreerd. Naar het oordeel van de rechtbank duiden de geconstateerde verschillen er dus niet op dat de van de verhuurder verkregen meterstanden niet juist zijn, maar alleen dat deze standen door Vitens niet juist zijn overgenomen. De rechtbank ziet met inachtneming van hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen andere redenen om te twijfelen aan de juistheid van de door het college gebruikte watermeterstanden van de verhuurder. Niet in geschil is dat het op basis van die standen berekende gebruik per jaar gedurende de periode in geding minder dan 7 m³ en dus extreem laag was.
Hoofdverblijf
8.1.
Gelet op het extreem lage waterverbruik was de vooronderstelling gerechtvaardigd dat de woning op eisers uitkeringsadres in de periode in geding niet bewoond werd en dat hij daar dus niet zijn hoofdverblijf had. Daarnaast was het elektriciteitsverbruik blijkens de gegevens die de toezichthouder hierover heeft opgevraagd bij Vattenfall op het uitkeringsadres in de periode van 30 september 2022 tot 30 september 2023 (282 KWh) en van 30 september 2023 tot 30 september 2024 (258 KWh) veel minder (80%) dan het landelijk gemiddeld elektragebruik voor een eenpersoonshuishouden van 1.750 KWh per jaar. Eisers stelling dat de verhuurder de meterstanden van de elektriciteit niet heeft kunnen aflezen vanwege een verouderd systeem, is onjuist gebleken. Het probleem met het aflezen van de meterstanden had namelijk betrekking op verouderde en niet meer werkende meters van het warmteverbruik.
8.2.
Hetgeen eiser naar voren heeft gebracht leidt niet tot het oordeel dat ondanks het extreem lage waterverbruik en veel lagere elektriciteitsverbruik moet worden aangenomen dat hij in de periode in geding zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had. Voor zover op basis van de door eiser overgelegde bankafschriften en de daaruit blijkende pintransacties al zou moeten worden aangenomen dat, zoals hij betoogt, het zwaartepunt van zijn leven in Drachten gelegen is, blijkt daaruit nog niet dat hij zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres had.
8.3.
Gelet op het voorgaande neemt het college naar het oordeel van de rechtbank terecht aan dat eiser in de periode in geding van 22 september 2022 tot 1 september 2024 niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. De rechtbank kan het college ook volgen in zijn standpunten dat eiser de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden doordat hij hiervan geen melding heeft gemaakt en dat het college ten gevolge hiervan zijn recht op bijstand over de periode in geding niet kan vaststellen. Het college heeft hierin terecht grond gezien voor intrekking van eisers recht op bijstand over die periode.
Dringende reden
9.1.
De intrekking van eisers recht op bijstand over de periode van 22 september 2022 tot 1 september 2024 heeft tot gevolg dat hij de bijstandsuitkering over deze periode ten onrechte heeft ontvangen. Het college is gehouden om deze bijstandsuitkering van eiser terug te vorderen, tenzij dringende redenen aanwezig zijn. In dat geval kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.
9.2.
Volgens vaste rechtspraak moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken gebaseerd zijn op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan. [2] Het is aan een betrokkene om feiten en omstandigheden aan te voeren die maken dat – volgens hem – sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien. [3]
9.3.
Op grond van wat eiser naar voren heeft gebracht heeft het college bij afweging van de betrokken belangen geen dringende redenen hoeven aannemen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Het besluit om niet van terugvordering af te zien getuigt niet van een onevenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen.
9.4.
De rechtbank overweegt hierbij in de eerste plaats dat de terugvordering niet is ontstaan, of is opgelopen, door toedoen van het college. De stelling van eiser dat de gemeente op de hoogte was van het feit dat hij in 2023 en 2024 meerdere keren in het buitenland is geweest, maar de uitkering desondanks niet heeft geblokkeerd, opgeschort dan wel ingetrokken, maakt dit niet anders. Eisers bijstandsuitkering is namelijk niet ingetrokken vanwege verblijf in het buitenland, maar omdat hij niet langer hoofdverblijf had op het uitkeringsadres. Gesteld noch gebleken is dat het college hiervan eerder op de hoogte was dan wel had moeten zijn en dat het eisers uitkering daarom eerder had moeten beëindigen.
9.5.
In de tweede plaats neemt de rechtbank hierbij in overweging dat eiser ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat de terugvordering voor hem onnodig nadelige gevolgen oplevert. Hierbij is van belang dat eiser zijn stelling dat bij hem financiële problemen zijn ontstaan niet nader geconcretiseerd en onderbouwd heeft. Verder geniet hij bij de invordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college terecht heeft besloten tot intrekking en terugvordering van eisers bijstandsuitkering over de periode van 22 september 2022 tot 1 september 2024. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt dus geen gelijk.
10.1.
Omdat het beroep ongegrond is hoeft het college het griffierecht niet aan eiser te vergoeden en krijgt hij ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.A. Schoenmakers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wetgeving

Participatiewet
Artikel 11, lid 1
Iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
Artikel 17, lid 1
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.
Artikel 54, lid 3
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
Artikel 58, lid 1
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid.
Artikel 58, lid 8
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld uitspraak Centrale Raad van Beroep (CRvB) 16 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:80.
2.Zie bijvoorbeeld uitspraak CRvB van 25 februari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:380.
3.Bijvoorbeeld uitspraak CRvB van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2195.