ECLI:NL:RBNNE:2026:593

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
28 februari 2026
Zaaknummer
LEE24/4550
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:177a BWArt. 6:98 BWArt. 6:100 BWArt. 6:119 BWArt. 3:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding paalfundering bij mijnbouwschade woning niet correct afgewezen

Eisers zijn eigenaar van een woning die schade heeft opgelopen door mijnbouwactiviteiten. Na eerdere procedures heeft het Instituut Mijnbouwschade een aanvullende schadevergoeding toegekend, maar de eisers zijn het niet eens met de hoogte en de herstelmethode, met name de vergoeding voor het aanbrengen van een paalfundering.

De rechtbank stelt vast dat het bewijsvermoeden voor de schades aan de woning niet is weerlegd door het Instituut. Het Instituut heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de fysieke staat en functionaliteit van de fundering en heeft nagelaten een ruime toerekening naar billijkheid te toetsen. Ook is niet aangetoond dat het aanbrengen van de paalfundering een verbetering betreft die tot verrekening leidt.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover de vergoeding van de paalfundering is afgewezen en wijst een aanvullende schadevergoeding van €4.332,14 toe, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van aanvraag. Tevens moet het Instituut het griffierecht vergoeden.

Uitkomst: Het Instituut moet de vergoeding voor de paalfundering aanvullen met €4.332,14 plus wettelijke rente en het griffierecht vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4450

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen

[naam] en [naam] , uit [woonplaats] , eisers

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen, het Instituut

(gemachtigden: mr. I. Pijpers en mr. P. Zoeten).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vergoeding van fysieke schade aan de woning van eisers door mijnbouwactiviteiten. Ter uitvoering van de uitspraak van deze rechtbank van 15 december 2023 [1] heeft het Instituut een nieuwe beslissing op het bezwaar van eisers tegen het (primaire) besluit genomen. Het Instituut heeft het bezwaar van eisers gedeeltelijk gegrond verklaard en aan eisers een aanvullende schadevergoeding toegekend. Eisers zijn het nog steeds niet eens met de hoogte van de schadevergoeding en de herstelmethode die het Instituut daaraan ten grondslag heeft gelegd. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Instituut onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de kosten van de aanpassing van de fundering niet voor vergoeding in aanmerking komt. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak.

Feiten en totstandkoming van het besluit

2. Eisers zijn sinds 1986 eigenaar van de woning aan de [adres] . De woning is gebouwd in 1885 en omstreeks 1949 is een bijgebouw, verbonden met de woning middels een halletje, gerealiseerd. Tussen 1980 en 1984 is de woning intern verbouwd en in 1992, 2000 en 2006 is de woning verder verbouwd/uitgebouwd. In 2022 hebben eisers een paalfundering aangebracht ter voorkoming van nieuwe schade door mijnbouw.
3. In 2018 hebben eisers een aanvraag voor schadevergoeding gedaan bij de voorganger van het Instituut, de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen (TCMG). Op 28 mei 2020 heeft de Arbiter Bodembeweging hierover uitspraak gedaan en een schadevergoeding toegekend van € 83.420,-. Herstel in de vorm van een paalfundering is door de Arbiter afgewezen.
4. Op 23 september 2019 hebben eisers een aanvraag om vergoeding van schade door mijnbouw gedaan. Deze aanvraag ziet op het gedeelte van de schades in de woning waarover eisers niet reeds met de NAM in procedure waren. Het Instituut heeft eisers een schadevergoeding toegekend van € 32.751,98. Daarnaast is € 1.340,- aan bijkomende kosten en € 1.747,02 aan wettelijke rente vergoed. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Het Instituut heeft dit bezwaar bij besluit van 29 augustus 2022 ongegrond verklaard. Eisers hebben vervolgens beroep ingesteld.
5. De rechtbank heeft met de uitspraak van 15 december 2023 het besluit van 29 augustus 2022 vernietigd en het Instituut opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak, waarin is geoordeeld dat het Instituut er niet in is geslaagd het bewijsvermoeden ten aanzien van schades 9, 10 en 14 te weerleggen, zodat het Instituut voor deze schades alsnog een vergoeding moet toekennen. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat zij geen aanleiding ziet om hierop vooruitlopend reeds een oordeel te geven over de vraag of het Instituut ook de door eisers uitgevoerde aanpassing van de fundering dient te vergoeden. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
6. Op 25 september 2024 heeft het Instituut een nieuw besluit op bezwaar genomen, waarin zij op basis van het adviesrapport van deskundige Wiersum van D.O.G. aan eisers een aanvullende vergoeding heeft toegekend voor schades 9, 10 en 14 van € 76.611,87 waarvan € 200,- aan bijkomende kosten, € 12.544,87 aan wettelijke rente en € 2.491,83 aan financieringsschade (het bestreden besluit).
6.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
6.2.
Het Instituut heeft een verweerschrift ingediend.
6.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigden van het Instituut en ir. R. Wiersum.

Standpunten van partijen

7. Eisers stellen dat de toegekende vergoeding voor schades 10 (verzakking van de vloer bij de deuropening van de entree naar de werkkamer) en 14 (verzakking van de hal voor de badkamer) alleen voldoende is voor het cosmetisch herstellen van die schades. Eisers nemen het standpunt in dat slechts cosmetisch herstel de woning in een slechtere toestand brengt dan vóór de mijnbouwproblematiek, omdat het beschadigde fundament zijn functie van steun voor het gebouw in mindere mate kan uitoefenen. Het aanbrengen van een paalfundering, wat zij inmiddels hebben gerealiseerd en zelf hebben bekostigd, is volgens eisers noodzakelijk om de fundering weer voldoende draagkrachtig te maken. Dit komt voor schades 10 en 14 neer op circa 30m2 paalfundering waarvoor zij een vergoeding eisen van
€ 4.332,14. Dit betreft slechts een beperkt deel van de totale kosten van het aanbrengen van de paalfundering onder de woning, namelijk alleen dat deel van de woning waar verzakkingsschade is opgetreden.
7.1.
Het Instituut gaat uit van herstel in oude toestand. Het Instituut stelt zich op het standpunt dat het aanbrengen van palen onder de vloer een niet voor vergoeding in aanmerking komende verbetering betreft ten opzichte van de oorspronkelijke situatie en dat dit een vorm van duurzaam herstel is dat buiten het kader van deze procedure valt. Volgens het Instituut is niet gebleken dat de fundering beschadigd is. Deze hoeft volgens het Instituut dus ook niet hersteld te worden, laat staan dat de fundering verbeterd moet worden.

Beoordeling door de rechtbank

Het toetsingskader: algemeen.
8. Tussen partijen is niet in geschil dat het bewijsvermoeden (ex art.6:177a eerste lid BW) van toepassing is op de schades aan de woning van eisers. In de voorgaande uitspraak van de rechtbank (zie 5) is al bepaald -en dit staat tussen partijen vast nu zij beide geen rechtsmiddelen tegen deze uitspraak hebben aangewend- dat het bewijsvermoeden door het Instituut -uitgaande van het daarvoor geldende bewijskader- niet is weerlegd wat betreft de schades 9,10 en 14. Voorts geldt als uitgangspunt voor de beoordeling van (de omvang van) de schade dat dit plaatsvindt met toepassing van de regels en normen van het civielrechtelijke (aansprakelijkheids-)recht. In dat kader geldt het navolgende.
8.1.
In het civielrechtelijke aansprakelijkheidsrecht wordt bij de begroting van (vermogens-)schade ervan uitgegaan dat degene die schade heeft geleden zoveel als mogelijk moet worden teruggebracht in de toestand waarin hij (met een redelijke mate van waarschijnlijkheid) zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis zich niet zou hebben voorgedaan. In het geval van zaakschade, begroot het Instituut normaliter de ontstane schade aan de hand van de kosten die de aanvrager zou moeten maken om de schade te herstellen om uit te komen in een toestand die minimaal gelijkwaardig is aan de toestand waarin het gebouw zich bevond voordat het werd beschadigd door bodembeweging door mijnbouwactiviteiten. Het Instituut gaat hierbij nadrukkelijk uit van zowel cosmetisch als constructief herstel. De vergelijkbaarheid van de situatie ná herstel met de oorspronkelijke situatie betreft zowel de functionaliteit, waaronder de constructieve stevigheid, als de uiterlijke verschijningsvorm. [2] Dit staat ook in de Praktische Uitwerking Tijdelijke wet Groningen voor Deskundigen, onder 4.1 ‘Bepalen hersteladvies + bijbehorende maatregelen’:
‘De hoofdlijn bij zaakschade is dat die wordt begroot aan de hand van de kosten van herstel van de schade. Daarbij geldt als uitgangspunt dat het benadeelde gebouw zoveel mogelijk in dezelfde situatie moet worden teruggebracht als waarin hij verkeerde vóór het ontstaan van de schade. De vergelijkbaarheid van de situatie ná herstel met de oorspronkelijke situatie betreft zowel de functionaliteit, waaronder de constructieve stevigheid, als de uiterlijke verschijningsvorm.’
8.2.
Voorts dient een volle toetsing plaats te vinden inzake de causaliteit (art. 6:98 BW Pro). Beantwoording van de vraag of sprake is van een causaal verband vindt plaats in een tweetal fasen, te weten de zogenaamde vestigingsfase (onder meer het bewijs van het condicio sine qua non-verband) en de omvangsfase. Indien de omvang van de schade tussen partijen in geschil is, zal in rechte moeten worden beoordeeld of al dan niet plaats is voor een ruime toerekening naar redelijkheid.
8.3.
Bij de beantwoording van de vraag in hoeverre plaats is voor toerekening naar redelijkheid, en in welke mate, is uitgangspunt dat dit een juridische beoordeling is, waarvoor het advies van een door het Instituut ingeschakelde onafhankelijke deskundige wel een rol kan spelen maar niet van doorslaggevend belang is.
8.4.
Daarnaast dient eveneens -indien daarover een geschil tussen partijen bestaat- beoordeeld te worden of al dan niet plaats is voor een verrekening van voordeel (zie art. 6: 100 BW), als sprake is van een verbetering, zoals in geval van een situatie van “nieuw voor oud”. Dit betreft eveneens een juridische beoordeling. In dat kader is onder meer relevant of al dan niet sprake is van een “opgedrongen” verbetering.
Wat is tussen partijen in geschil?
9. Zoals hiervoor al is overwogen, is het bewijsvermoeden met betrekking tot de schades 9,10 en 14 niet weerlegd. Daarmee staat het condicio sine qua non verband tussen deze schades en de oorzaak vast. Dit heeft betrekking op de hiervoor bedoelde vestigingsfase. Schade 9 (verzakking dak) is tussen partijen niet meer in geschil. In hun reactie van 11 februari 2024 op het nader advies van D.O.G. Ingenieurs van 23 januari 2024, dat aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd, hebben eisers verklaard dat zij zich kunnen vinden in (de hoogte van) de schadevergoeding van in totaal € 14.410,90 inclusief btw die het Instituut voor deze schade heeft toegekend.
9.1.
Het geschil is daarmee beperkt tot de omvang van de schade voor zover het betreft schades 10 en 14 en hoe deze begroot moet worden, uitgaande van de hiervoor genoemde (civielrechtelijke) uitgangspunten, waaronder de vraag in hoeverre plaats is voor een ruime toerekening naar redelijkheid. Meer concreet is de vraag of het Instituut ook de kosten moet vergoeden van het aanbrengen van een paalfundering (als vervanging van de bestaande fundering op staal) ter hoogte van schades 10 en 14.
9.2.
Tussen partijen bestaat geen discussie over de wijze waarop de hoogte van de herstelkostenvergoeding moet worden berekend, namelijk door (1) de relevante kostenposten op basis van de door eisers overgelegde facturen samen te voegen, (2) uit te gaan van een totale oppervlakte van de woning van 160 m2, (3) het bedrag te delen door de totale oppervlakte om een m2-prijs te berekenen en (4) de m2-prijs te vermenigvuldigen met 30 m2 (een optelsom van de vloeroppervlakte van de hal en de werkkamer waar schades 10 en 14 zich hebben voorgedaan). Partijen verschillen van mening over de vraag wat tot de 'relevante kostenposten' moet worden gerekend en meer specifiek of daartoe behoort de kosten van het aanbrengen van buispalen onder de vloer tot het eerdergenoemde bedrag van € 4.332,14.
9.3.
In het bestreden besluit staat over het aanbrengen van de paalfundering en alle werkzaamheden die daarmee samenhangen het volgende:
’Het Instituut gaat – overeenkomstig vaste rechtspraak- uit van herstel in oude toestand. Deze werkzaamheden gaan volgens het Instituut verder dan noodzakelijk is voor herstel in oude toestand. Het gegeven dat (een gedeelte van) uw woning onderhevig is aan verzakking, betekent niet per definitie dat sprake is van (mijnbouw gerelateerde) schade aan de onderliggende dragende structuur.’
9.4.
Onder verwijzing naar de foto op blz. 28 van het beroepschrift van 7 oktober 2022 stellen eisers dat het evident is dat het fundament dat de ondervloer vormde ernstig was aangetast. Voor zover het Instituut heeft bedoeld hier de causaliteit ter discussie te stellen (‘bestaat er wel een verband tussen gaswinning en deze schade?’), dient volgens eisers daaraan voorbij gegaan te worden. Daargelaten dat enige bouwkundige onderbouwing van de stelling ontbreekt, heeft het Instituut haar mogelijkheden wat betreft deskundigenonderzoek juist op dit punt inmiddels verspeeld, gelet op artikel 12 lid 5 TwG Pro, aldus eisers.
9.5.
Eisers hebben ter zitting verklaard dat er sinds het aanbrengen van de palen onder de vloer geen nieuwe schades aan de woning zijn ontstaan. Ook hebben eisers verklaard dat de woning vóór de mijnbouwproblematiek schadevrij was. Deze stelling heeft het Instituut niet betwist en de rechtbank gaat derhalve van deze informatie uit.
9.6.
Het Instituut wijst erop dat nergens uit is gebleken dat er iets mis was met de fundering op staal, laat staan dat dit mijnbouw gerelateerd was. Dat blijkt ook niet uit de door eisers bedoelde foto. Volgens het Instituut is daarop slechts de ondervloer te zien waarop de (verwijderde) vloertegels lagen. Bovendien had dan – als er al iets mis was met de fundering – in het kader van 'herstel in oude toestand' de betreffende fundering op staal hersteld moeten worden. Het Instituut meent dat het aanbrengen van palen verder gaat dan 'herstel in oude toestand': de palen zaten er niet en zitten er nu wel.
9.7.
Ter zitting heeft deskundige Wiersum verklaard dat de zakking van de woning wordt voorkomen door het aanbrengen van palen onder de fundering. Hij stelt wel dat het daarbij gaat om zakking als gevolg van veenoxidatie en niet om zakking als gevolg van trillingen. De trillingen in de mate die op de locatie van eisers voorkomen, leiden namelijk volgens Wiersum alleen tot schades rondom de vloer.
9.8.
Kort samengevat komt het standpunt van het Instituut erop neer dat geen sprake is van fysieke schade aan de fundering en voorts dat het aanbrengen van een fundering op palen moet worden gekwalificeerd als een verbetering, waarvoor volgens het Instituut een andere procedure geldt. Dit betreft de regeling ‘Duurzaam herstel’, een procedure die overigens voor eisers niet open staat, omdat eisers niet woonachtig zijn in het postcodegebied waarop deze regeling van toepassing is.
Oordeel van de rechtbank
10. De rechtbank kwalificeert het beroep van eisers als een geschil over de omvang van de schade, aldus de tweede fase in het kader van de causale toetsing. De rechtbank oordeelt dat het Instituut onvoldoende heeft gemotiveerd dat de aanpassing van de fundering niet voor vergoeding in aanmerking komt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
10.1.
Wat betreft de vraag of sprake is van schade aan de fundering overweegt de rechtbank dat, gelet op haar (onherroepelijke) uitspraak van 15 december 2023, voor de beoordeling van de herstelwijze en herstelkosten uitgangspunt is dat het wettelijk bewijsvermoeden voor schades 10 en 14 niet door het Instituut is weerlegd, zodat het Instituut deze schades alsnog moet vergoeden.
10.2.
De rechtbank oordeelt dat het Instituut bij de herstelbegroting van schades 10 en 14 (a) een onjuiste, namelijk een te beperkte, maatstaf heeft gehanteerd voor beantwoording van de vraag wat onder schade verstaan moet worden, naast (b) het feit dat er geen toetsing heeft plaatsgevonden in het kader van de ruime toerekening naar billijkheid. Zij zal dat hierna toelichten.
10.3.
Ad (a): Aan de hand van het onder 8.1 genoemde door het Instituut geformuleerde beleid, is voor de vraag wat de schade is ook van belang of sprake is van een aantasting van de (bouwkundige) functionaliteit. Hoewel het op de weg van het Instituut had gelegen, is nagelaten onderzoek te doen naar de fysieke staat en de functionaliteit van de oorspronkelijke fundering op staal. Zonder een dergelijk onderzoek volstaat de door het Instituut gevolgde redenering niet. Immers: het Instituut heeft de beoordeling ten onrechte beperkt tot alleen de vraag of al dan niet sprake was van een mogelijke fysieke aantasting van de fundering. De enkele constatering dat niet zou zijn gebleken dat de fundering fysiek beschadigd is, wil echter nog niet zeggen dat de fundering zijn functionaliteit niet heeft verloren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Instituut niet inzichtelijk gemaakt dat de verzakkingsschade in de vloer en de hal (schades 10 en 14) niet het gevolg is geweest van een onvoldoende draagkrachtige fundering. Nu het Instituut een te beperkt (namelijk onvolledig) onderzoek heeft gedaan, is het Instituut tevens tekortgeschoten in de op haar rustende vergewisplicht als bedoeld in artikel 3:9 van Pro de Awb.
10.4.
Ad (b): Het Instituut had in het kader van de vaststelling van de omvang van de schade tevens moeten toetsen of plaats is voor een ruime toerekening naar billijkheid voor zover het betreft de aanpassing van de fundering. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat het Instituut een dergelijke toets heeft uitgevoerd. Uit dit besluit blijkt feitelijk alleen dat het Instituut haar standpunt volledig baseert op de bevindingen van Wiersum. Onder meer wordt overwogen dat Wiersum geen aanleiding ziet om een vergoeding toe te kennen en dat het Instituut geen reden ziet om aan de juistheid van dat advies te twijfelen. Daarbij gaat het Instituut eraan voorbij dat de beantwoording van de vraag of plaats is voor een ruime toerekening naar billijkheid, een juridisch oordeel is dat niet aan de deskundige is. Maar zelfs als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat het Instituut die toerekeningsvraag wel heeft beoordeeld, dan blijkt uit de gevolgde redenering niet dat daarbij is uitgegaan van een ruime toerekening, zoals in gevallen als deze, mede gezien de specifieke omstandigheden zoals genoemd onder 11, passend is.
10.5.
Wat betreft de vraag of sprake is van een verbetering die zou moeten leiden tot een verrekening van een genoten voordeel, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het bestreden besluit blijkt niet op welke wijze het Instituut een en ander heeft beoordeeld, afgezien van de enkele verwijzing naar de procedure inzake Duurzaam herstel. Uitgangspunt bij een beoordeling als onderhavige is dat op degene die zich beroept op verbetering (art. 6:100 BW Pro) de stelplicht en, bij gemotiveerde betwisting, de bewijslast rust. Het Instituut heeft ter zake hiervan niets aangevoerd. Ook blijkt niet dat het Instituut heeft getoetst in hoeverre in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, rekening houdend met de specifieke omstandigheden genoemd onder 11, plaats zou zijn voor een verrekening van een mogelijk genoten voordeel.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond omdat het Instituut naar het oordeel van de rechtbank het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel heeft genomen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover daarbij de vergoeding van de kosten van het aanbrengen van de paalfundering ter hoogte van schades 10 en 14 is afgewezen. Gezien de specifieke omstandigheden van deze zaak, met name de lange procedure, het gegeven dat de zaak al eens is terugverwezen naar het Instituut, het in geding zijnde relatief lage bedrag en de complicaties bij het doen van nader onderzoek naar de al aangepaste fundering, is het naar het oordeel van de rechtbank onwenselijk om de zaak opnieuw terug te verwijzen en verdient finale geschilbeslechting de voorkeur. Daarbij neemt de rechtbank tevens in overweging dat eisers de volledige kosten voor de paalfundering voor hun rekening hebben genomen en dat zij slechts voor een beperkt deel vergoeding vorderen. De rechtbank neemt daarom met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef, en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, nu zelf een beslissing en bepaalt dat het aan eisers toe te kennen bedrag aan schadevergoeding dient te worden aangevuld met het bedrag van € 4.332,14. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum aanvraag schadevergoeding (23 september 2019).
12. Omdat het beroep gegrond is moet het Instituut het griffierecht aan eisers vergoeden. Eisers hebben geen andere kosten opgevoerd die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 25 september 2024, voor zover daarbij de vergoeding van de kosten van het aanbrengen van de paalfundering ter hoogte van schades 10 en 14 is afgewezen;
- bepaalt dat de aan eisers toe te kennen schadevergoeding dient te worden aangevuld met het bedrag van € 4.332,14, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 23 september 2019 tot en met de dag van betaling;
- bepaalt dat het Instituut het griffierecht van € 184,- aan eisers moet vergoeden.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026 door mr. M.R. Gans, voorzitter, en mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga en mr. P. van der Stroom, leden, in aanwezigheid van mr. H.L. Brandes-Boers, griffier.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld ABRvS 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:374, r.o. 101; zie ook de Praktische Uitwerking Tijdelijke wet Groningen voor Deskundigen (2023), par. 4.1.