Uitspraak
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 26 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. Bij gelegenheid van deze mondelinge behandeling hebben beide advocaten pleitaantekeningen voorgedragen en overgelegd.
2.De feiten
Verklaring aan ieder die dit aangaat
3.Het geschil
4.De beoordeling
zijnauto (zo al juist) voor
haarschulden - en dan ook nog onrechtmatig (in de zienswijze van [eiser] ) - executoriaal werd geveild? [eiser] heeft hierop geen inzichtelijk antwoord kunnen geven. Zijn reactie ‘dat de auto immers van hem was’ is zinledig, omdat daaruit op zichzelf op geen enkele wijze deze nadere verbintenis voortvloeit. Onderwerp van de overeenkomst was slechts
dezeRenault (die [eiser] ‘graag wilde hebben’) en niet een soortzaak (‘een auto’). Gesteld noch gebleken is dat en hoe [eiser] zich op enigerlei wijze heeft verplicht tot het ter beschikking stellen van een vervangende auto, bijvoorbeeld doordat hij als leasemaatschappij is opgetreden. Zijn advocaat heeft desgevraagd wel nog laten weten dat deze verplichting voortvloeit uit de overeenkomst. Zonder nadere toelichting - die niet is gegeven - valt echter niet in te zien waarom dat het geval zou zijn.
daaromjegens hem onrechtmatig is geweest. Wanneer hij geen eigenaar was kan er ook niet onrechtmatig jegens hem zijn gehandeld. In zoverre volstaat het arrest van 21 mei 2024 voor hem niet als grondslag voor de hier aan de orde zijnde vordering en is onjuist zijn in de pleitnotitie betrokken stelling dat dit het geval zou zijn omdat ‘alle handelingen die [erflater] [erflater] op basis van het vernietigde vonnis heeft verricht onrechtmatig zijn’.
vaststaat, nu zowel hij als [ex-partner erflater] de koopovereenkomst (Renault) hebben erkend en schriftelijk hebben vastgelegd. In die uitleg is [eiser] niet geslaagd: op de vraag wie in een civiele procedure de feiten en rechtsverhoudingen vast stelt, heeft [eiser] uiteindelijk moeten en ook willen erkennen dat dit de taak van de rechter is en niet die van de eisende partij.
nietzijn ( [eiser] ’s) eigendom was. [eiser] heeft daarbij - hoewel hij daarop wellicht het oog heeft gehad en zulks nog het meest voor de hand lag - niet zelf de weg ingeslagen naar het bepaalde in artikel 157 Rv Pro en geen expliciet beroep gedaan op de daarin geregelde bewijskracht van onderhandse akten. Dit had hem ook niet gebaat, nu de dwingende bewijskracht van onderhandse akten zich immers nu juist niet uitstrekt tot derden, maar slechts tot partijen zelf en dus - in dit geval - [eiser] en [ex-partner erflater] . Ware dit anders dan zou het twee derden wel erg gemakkelijk worden gemaakt om bindende bewijskracht jegens een ander te bewerkstelligen. De wetgever heeft daartoe dan ook niet willen besluiten. Uit deze bepaling en de hoofdregels van het bewijsrecht valt tegelijkertijd wel meteen af te leiden dat de kwitantie en de verklaring van [ex-partner erflater] hooguit in de relatie tussen [eiser] en [ex-partner erflater] dwingende bewijskracht hebben (hetgeen overigens ook iets anders is dan ‘vaststaan’, nu altijd tegenbewijs vrij staat), en jegens derden slechts vrije bewijskracht toekomen.
zelfin
kort gedingis opgekomen met de stelling dat hij als eigenaar van de Renault zou zijn aan te merken. De door hem gevorderde ordemaatregel is door de voorzieningenrechter verworpen met - kort gezegd - de overweging dat onvoldoende aannemelijk is dat in de bodemprocedure zal worden aangenomen dat hij eigenaar van de Renault is. [eiser] is in de kosten van het kort geding veroordeeld en heeft tegen het vonnis geen rechtsmiddel ingesteld.