ECLI:NL:RBNNE:2026:349

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
LEE 25/19
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wet mrbArt. 35 Wet mrbArt. 35 lid 2 Wet mrbArt. 37 Wet mrbArt. 67 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering verzuimboete motorrijtuigenbelasting wegens gebruik geschorst kenteken

Eiser is houder van een Mercedes-Benz waarvan het kenteken tijdelijk was geschorst. Ondanks de schorsing is op 25 juni 2024 met de auto gebruik gemaakt van de openbare weg. De inspecteur legde een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting van €945 en een verzuimboete van €472 op. Eiser betwistte de hoogte van de naheffingsperiode en wees op een onjuist kenteken in de uitspraak op bezwaar.

De rechtbank oordeelt dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat het gebruik van de weg met een geschorst kenteken niet is toegestaan. De hoogte van de naheffing is correct berekend volgens wettelijke voorschriften, ongeacht het feit dat niet gedurende de gehele periode gebruik is gemaakt van de weg.

De verzuimboete is eveneens terecht opgelegd, maar de rechtbank vindt de hoogte niet passend. Gezien het feit dat eiser slechts op één dag gebruik maakte van de weg en het een eerste verzuim betreft, wordt de boete gematigd tot €120. De onjuiste vermelding van het kenteken in de uitspraak op bezwaar wordt als een verschrijving gezien zonder schending van het zorgvuldigheidsbeginsel.

De rechtbank vernietigt het deel van de uitspraak op bezwaar dat betrekking heeft op de boetebeschikking en bepaalt dat de inspecteur het griffierecht aan eiser moet vergoeden.

Uitkomst: De rechtbank vermindert de verzuimboete motorrijtuigenbelasting tot €120 wegens gebruik van een auto met geschorst kenteken.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/19
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst CAP/kantoor Apeldoorn, de inspecteur

(gemachtigde: mr. [naam 1] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 13 december 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiser een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 945.
1.2.
Gelijktijdig met de vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur bij beschikking aan eiser een verzuimboete van € 472 opgelegd (de boetebeschikking).
1.3.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.4.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, en namens de inspecteur [naam 2] en [naam 3] .

Feiten

2. Eiser is sinds 1 april 2023 houder van een Mercedes-Benz Type 300 SL U9 met het kenteken [kenteken] (de auto). Op verzoek van eiser is de geldigheid van het kenteken geschorst van 12 september 2023 tot 1 oktober 2023, en vanaf 28 oktober 2023. Op 25 juni 2024 is geconstateerd dat met de auto gebruik is gemaakt van de A28 ter hoogte van Hoogeveen. De inspecteur heeft op 14 oktober 2024 aan eiser aan naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd van € 945 voor de periode 12 september 2023 tot en met 20 augustus 2024(de naheffingsaanslag). Bij het bepalen van de hoogte van de naheffingsaanslag heeft de inspecteur rekening gehouden met de motorrijtuigenbelasting die eiser heeft betaald voor de periode van 1 oktober 2023 tot 28 oktober 2023. Daarnaast is de beginperiode van het naheffingstijdvak (21 augustus 2023 tot 12 september 2023) buiten de naheffingsaanslag gehouden vanwege de betaling van motorrijtuigenbelasting over deze periode. Ook heeft de inspecteur een verzuimboete van € 472 opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag en verzuimboete terecht en naar de juiste bedragen heeft opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. De rechtbank is verder van oordeel dat de verzuimboete terecht is opgelegd, maar dat de hoogte van de verzuimboete niet passend en geboden is. De rechtbank zal de verzuimboete daarom verminderen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Standpunten partijen
5. Eiser stelt dat de inspecteur bij het doen van uitspraak op bezwaar onzorgvuldig is geweest door het verkeerde kenteken te vermelden. Dit wringt voor eiser: hem wordt de maat genomen door iemand die zelf ook fouten maakt. Verder ontkent eiser niet dat hij met de auto op de weg heeft gereden terwijl het kenteken was geschorst, maar vindt hij de naheffingsperiode onredelijk lang in verhouding tot het daadwerkelijk gebruik van de openbare weg.
6. De inspecteur voert aan dat de naheffingsaanslag terecht en juist is vastgesteld. De verzuimboete is passend en geboden. Hoewel in de uitspraak op bezwaar een kennelijke verschrijving heeft plaatsgevonden, is het zorgvuldigheidsbeginsel volgens de inspecteur niet geschonden.
Naheffingsaanslag
7. De rechtbank overweegt als volgt. Aan het schorsen van een kenteken van een motorrijtuig zijn voorwaarden verbonden. Eén van de voorwaarden is dat met het motorrijtuig waarvan het kenteken is geschorst geen gebruik wordt gemaakt van de openbare weg. [1] Als niet aan alle voorwaarden is voldaan, kan de inspecteur een naheffingsaanslag opleggen. [2] Niet in geschil is dat eiser met de auto van de openbare weg gebruik heeft gemaakt terwijl de geldigheid van het kenteken was geschorst. Dit betekent dat de inspecteur mocht naheffen. De na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van vier aansluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin gebruik is gemaakt van de weg. [3] Dat eiser gedurende een deel van de periode waarover de naheffingsaanslag is opgelegd met de auto geen gebruik heeft gemaakt van de openbare weg, is niet van belang bij het bepalen van de hoogte van de naheffingsaanslag. [4] Dat betekent dat de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag heeft opgelegd.
Verzuimboete
8. De inspecteur kan een verzuimboete opleggen van 100% van de nageheven belasting met als maximumbedrag € 5.514. [5] Het opleggen van een verzuimboete moet achterwege blijven als sprake is van een pleitbaar standpunt of bij afwezigheid van alle schuld (avas). Er is sprake van avas als een belastingplichtige stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat hij alle in de gegeven omstandigheden van hem in redelijkheid te vergen zorg heeft betracht om te bewerkstelligen dat het verzuim niet zou worden begaan. Van avas is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, omdat niet aannemelijk is geworden dat eiser geen enkel verwijt kan worden gemaakt dat hij met de auto op de openbare weg heeft gereden. Eiser heeft ook niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat sprake is van pleitbaar standpunt. De inspecteur heeft de verzuimboete daarom terecht opgelegd.
9. Met betrekking tot de hoogte van de verzuimboete, overweegt de rechtbank dat als beleidsmatig uitgangspunt heeft te gelden dat in dit soort gevallen een verzuimboete van 50% wordt opgelegd. [6] Dat neemt niet weg dat de rechtbank in het kader van de individuele straftoemeting gehouden is om, gelet op alle in aanmerking komende omstandigheden, te beoordelen of de opgelegde verzuimboete passend en geboden is. Daartoe behoort ook de omstandigheid dat de hoogte van de nageheven belasting in dit geval is komen vast te staan met toepassing van een berekeningsvoorschrift. [7] Dit betekent overigens niet zonder meer dat bij de berekening van de hoogte van de verzuimboete altijd moet worden uitgegaan van een lager bedrag aan niet-betaalde belasting dan het bedrag van de nageheven belasting. Indien vaststaat dat gedurende een periode geen gebruik van de openbare weg is gemaakt met een motorrijtuig waarvan het kenteken is geschorst, kan dit echter een omstandigheid zijn die een matiging van de verzuimboete rechtvaardigt. [8] Dit omdat in dergelijke situaties het berekenen van de verzuimboete over het volledige bedrag aan belasting kan leiden tot een wanverhouding tussen de ernst van het feit en de opgelegde verzuimboete. [9]
10. Door eiser is naar voren gebracht dat hij alleen op 25 juni 2024 gebruik heeft gemaakt van de weg. De inspecteur heeft dit niet weersproken. De rechtbank zal bij de straftoemeting daarom rekening houden met het feit dat de naheffingsaanslag is vastgesteld met toepassing van een berekeningsvoorschrift.
11. Daarnaast is niet gebleken dat eiser zich bij deze eerdere schorsingen van het kenteken niet aan de voorwaarden heeft gehouden. Daarmee is dus sprake van een eerste verzuim.
12. Al deze omstandigheden (10. en 11) in aanmerking nemende, acht de rechtbank een matiging van de verzuimboete op zijn plaats. Alles overwegende, acht de rechtbank een boete van € 120 passend en geboden.
Onjuiste kenteken in de uitspraak op bezwaar
13. Ten slotte heeft eiser nog aangevoerd dat in de uitspraak op bezwaar onder het kopje ‘Beoordeling van uw bezwaar’ het verkeerde kenteken is vermeld. Dat is correct. De inspecteur heeft hiervoor op de zitting zijn excuses aangeboden. De rechtbank overweegt dat in de eerste alinea van de uitspraak op bezwaar wel het juiste kenteken is vermeld. Bovendien heeft de inspecteur in die alinea ook verwezen naar het (juiste) aanslagnummer. Gelet hierop kan het niet anders zijn dan dat het onjuist vermelden van het kenteken onder het kopje ‘Beoordeling van uw bezwaar’ een verschrijving is geweest. Gelet op het elders juist vermelden van het kenteken en het juist vermelden van het aanslagnummer, moet het voor eiser duidelijk zijn geweest dat de uitspraak op bezwaar ging over het door hem ingediende bezwaar tegen de naheffingsaanslag. Hoewel het vermelden van het verkeerde kenteken ongelukkig is, is de rechtbank niet van oordeel dat hiermee het zorgvuldigheidsbeginsel is geschonden.
13. De rechtbank verbindt aan het feit dat in de uitspraak op bezwaar het verkeerde kenteken is vermeld dus geen gevolgen.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking. De rechtbank vermindert de verzuimboete tot een bedrag van € 120.
16. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;
- vermindert de verzuimboete tot een bedrag van € 120;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 53 aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.S. Langius, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.R. Bontsema, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 10 februari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 19, eerste lid, Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (Wet mrb), in samenhang met de artikelen 67, eerste lid en 68, eerste lid, onderdeel d, Wegenverkeerswet 1994.
2.Artikel 35 Wet Pro mrb.
3.Artikel 35, tweede lid, Wet mrb.
4.Hoge Raad 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:973, r.o. 3.3.4.
5.Artikel 35 en Pro 37 Wet mrb, in samenhang met artikel 67c Algemene wet inzake rijksbelastingen (tekst 2024).
6.Paragraaf 34 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst.
7.Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:483, r.o. 5.10.2 en 5.10.3.
8.Zie ook gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6458, r.o. 4.20 onder verwijzing naar Hoge Raad 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:973.
9.Zie wederom gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:6458.