ECLI:NL:RBNNE:2026:3082

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 juli 2026
Publicatiedatum
23 juli 2026
Zaaknummer
25/1585
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:31d AwbArt. 5:39 AwbArt. 5:6 APVG 2021Art. 1:1 APVG 2021Art. 1 lid b Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen last onder dwangsom en invordering wegens parkeren aanhangwagen op gemeentegrond

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen een last onder dwangsom en het daarop volgende invorderingsbesluit van de gemeente Groningen, omdat hij zijn aanhangwagen langer dan drie dagen achtereen op gemeentegrond had geplaatst. De overtreding werd vastgesteld door toezichthouders en eiser heeft de dwangsom inmiddels voldaan. Hij voerde onder meer aan dat de aanhangwagen niet onder kampeermiddelen valt, niet op een weg stond maar op een groenstrook, en dat het parkeren geen schade toebrengt aan het uiterlijk van de gemeente.

De rechtbank oordeelt dat de aanhangwagen wel onder het verbod valt zoals neergelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021 en het Aanwijsbesluit kampeermiddelen. Ook is een groenstrook aan te merken als een weg in de zin van de APVG 2021. Het feit dat de aanhangwagen tussentijds werd gebruikt, maakt de overtreding niet ongedaan. De foto's en rapportages van de toezichthouder zijn voldoende overtuigend om vast te stellen dat het parkeren schadelijk is voor het uiterlijk van de gemeente.

De rechtbank stelt vast dat verweerder terecht een last onder dwangsom heeft opgelegd en dat de invorderingsbesluiten terecht zijn genomen. Eiser heeft onvoldoende bijzondere omstandigheden aangevoerd om de dwangsom te matigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard, en eiser krijgt de betaalde dwangsommen en griffierecht niet terug.

Uitkomst: Het beroep tegen het opleggen van de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/1585

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder
(gemachtigde: H. Blokzijl).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een last onder dwangsom en het daaruit volgende invorderingsbesluit. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan wetsartikelen die in deze uitspraak van belang zijn.

Procesverloop

2. Op 8 augustus 2024 heeft verweerder aan eiser een voornemen opleggen last onder dwangsom [1] gezonden, wegens het plaatsen van een aanhangwagen op gemeentegrond langer dan drie dagen achtereen. [2] Op 5 december 2024 is vastgesteld dat de overtreding niet is opgeheven.
2.1.
Met het primaire besluit van 5 december 2024 heeft verweerder eiser gelast om zijn aanhangwagen uiterlijk 10 december 2024 om 09:00 uur van de weg te verwijderen en verwijderd te houden. Daarbij is een dwangsom opgelegd van € 250,- per overtreding met een maximum van € 750,-.
2.2.
Bij hercontrole is opnieuw vastgesteld dat de overtreding niet is opgeheven. Verweerder heeft op 17 december 2024 aan eiser een voornemen invorderingsbesluit gezonden en dit besluit is geëffectueerd op 23 januari 2025 met het invorderen van het bedrag van € 250,-.
2.3.
Tegen deze besluiten is bezwaar gemaakt door eiser. Ook heeft eiser aangegeven het bedrag van de dwangsom niet te kunnen betalen. Verweerder heeft eiser daarop in de gelegenheid gesteld stukken over te leggen waar dit uit blijkt.
2.4.
Met het bestreden besluit van 25 maart 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij zijn besluiten gebleven. Ook heeft verweerder daarin bepaald dat eiser onvoldoende heeft aangetoond dat hij de dwangsom niet kan betalen.
2.5.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6.
Omdat er opnieuw een overtreding is geconstateerd en eiser ook deze overtreding niet heeft opgeheven, heeft verweerder op 4 november 2025 een tweede invorderingsbesluit genomen en geëffectueerd, met het invorderen van het bedrag van € 250,-.
2.7.
Daartegen heeft eiser ook bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het stuk ter behandeling doorgestuurd naar de rechtbank. De rechtbank heeft het bezwaarschrift toegevoegd aan het beroepschrift van eiser. [3]
2.8.
Verweerder heeft op de standpunten van eiser gereageerd met een verweerschrift.
2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Omvang van het geding
3.1.
Niet in geschil is dat eiser niet aan de last heeft voldaan. In beide gevallen wordt door eiser niet betwist dat hij zijn aanhangwagen op gemeentegrond heeft geparkeerd.
3.2.
Verder blijkt uit de stukken dat eiser de dwangsom al heeft voldaan. Op de zitting heeft eiser desgevraagd laten weten dat zijn beroepsgrond over het draagkrachtprobleem daarom niet besproken hoeft worden.
3.3.
Een verzoek om handhaving op (andere) verkeersovertredingen in dezelfde buurt ligt hier niet voor. De stukken die eiser daarover heeft ingediend zal de rechtbank buiten beschouwing laten. Op de zitting is eiser hiervan in kennis gesteld.
Mocht verweerder aan eiser een last onder dwangsom opleggen?
4.1.
Eiser stelt dat er geen sprake is van een overtreding van de APVG 2021. Hij voert daartoe het volgende aan. Een aanhanger valt niet onder kampeermiddelen. Ook stond de aanhanger niet op een weg, maar op een groenstrook. Bovendien stond de aanhanger niet onafgebroken drie achtereenvolgende dagen op dezelfde plek, want deze werd tussendoor namelijk gebruikt. De aanhanger bezette bovendien slechts een klein deel van de groenstrook en door hem op die plek te parkeren werd er geen parkeerplaats in beslag genomen. De aanhanger werd met goede bedoelingen gebruikt, namelijk om buren te helpen met het afvoeren van grofvuil. Verder ziet eiser niet in waarom het parkeren van de aanhanger op die plek wordt beschouwd als ‘schadelijk voor het uiterlijk aanzien van de gemeente’. De groenstrook ligt namelijk in een stil en redelijk afgeschermd gedeelte van de woonwijk.
4.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij de last onder dwangsom mocht opleggen. Het verbod in de APVG 2021 ziet op “een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt”. Onder die laatste categorie vallen wel degelijk aanhangwagens. Dit volgt uit het Aanwijsbesluit, uit rechtspraak van de Afdeling en uit rechtspraak van het hof Arnhem-Leeuwarden (het hof). Bovendien stond eisers aanhangwagen geparkeerd op een groenstrook en uit de APGV 2021 volgt dat een groenstrook is aan te merken als ‘weg’.
4.3.
Verder wijst verweerder op het volgende. Voorafgaand aan het invorderingsbesluit van 23 januari 2025 is door de toezichthouder een rapportage opgesteld met foto’s, waaruit blijkt dat de aanhangwagen is aangetroffen op 12, 13, 14 en 15 december 2024, dus vier achtereenvolgende dagen. Of de aanhangwagen daarbij onafgebroken op exact dezelfde plaats staat maakt voor de vaststelling van de overtreding niet uit. Dit volgt ook uit rechtspraak van het hof. Daarbij is verweerder het niet eens met eisers stelling, dat het plaatsen van de aanhangwagen op de groenstrook niet schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het maakt voor die vaststelling niet uit waarom de aanhanger daar stond geparkeerd, aldus verweerder.
5. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van eiser niet slagen. Zij overweegt daartoe als volgt.
5.1.
Uit de APVG 2021, het Aanwijsbesluit en uit rechtspraak [4] volgt dat een aanhanger valt onder de categorie voertuigen waarvoor het verbod geldt. Ook volgt uit de APVG 2021 dat een groenstrook valt onder het begrip ‘weg’. [5] Verder volgt uit rechtspraak dat de aanhanger ondertussen gebruiken, de overtreding niet ongedaan maakt. [6] De rechtbank merkt daarbij op dat uit de stukken blijkt dat eiser al wist dat hij zijn aanhanger daar niet mocht plaatsen, omdat de aanhanger eerder al eens is verwijderd met toepassing van bestuursdwang. Ook in dat licht bezien heeft eiser genoeg (aanloop)tijd gehad om een alternatieve parkeerplaats te vinden voor de aanhanger. Verder acht de rechtbank de foto’s van de toezichthouder voldoende overtuigend, als het gaat om de vraag of het parkeren van de aanhanger op die locatie schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat verweerder is overgegaan tot het opleggen van de last, nadat de overtreding door de toezichthouder gedurende een periode van zeker zes maanden is geconstateerd en door eiser vervolgens niet is opgeheven. In de gronden van eiser kan de rechtbank geen aanknopingspunten vinden om hier anders over te oordelen, dan verweerder heeft gedaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder aan eiser een last onder dwangsom mocht opleggen. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om de dwangsom te matigen vanwege bijzondere omstandigheden. Daarvoor heeft eiser onvoldoende aangevoerd.
5.3.
Nu vast is komen te staan dat verweerder de last onder dwangsom terecht heeft opgelegd, bestaat er een grondslag voor het invorderen van de dwangsommen. Eiser heeft het parkeren van de aanhanger op gemeentegrond immers niet betwist. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de invorderingsbesluiten ook terecht zijn opgelegd.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent voor eiser dat hij de ingevorderde dwangsommen niet terugkrijgt. Het betaalde griffierecht krijgt hij ook niet terug. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Bosklopper, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:31d
Onder last onder dwangsom wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:
a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en
b. de verplichting tot betaling van een geldsom indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Artikel 5:39
1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.
(…)
Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021
Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen Pro
In deze verordening wordt verstaan onder:
a. openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b;
b. weg:
1. de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;
2. de - al dan niet met enige beperking- voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;
3. de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;
(…)
artikel 5:6 Kampeermiddelen Pro e.a.
1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:
a. langer dan op drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;
b. op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.
(…)
Aanwijsbesluit kampeermiddelen e.a. (art. 5:6 Algemene Pro Plaatselijke Verordening Groningen 2021)
(…)
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen,
(…)
Gelet op artikel 5:6 van Pro de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021;
Overwegende dat in de bebouwde kom van de gemeente Groningen het parkeren van kampeermiddelen e.a. buitensporig wordt geacht met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte dan wel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente;
Heeft besloten:
Het aanwijsbesluit kampeermiddelen e.a. (art. 5:6 Algemene Pro Plaatselijke Verordening Groningen 2021) vast te stellen en alle wegen binnen de bebouwde kom van de gemeente Groningen aan te wijzen als weg waar het verboden is voertuigen die voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden worden gebruikt, langer dan drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben.
(…)

Voetnoten

1.Raadpleeg hiervoor artikel 5:31d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit verbod is neergelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021 (APVG 2021). Raadpleeg artikel 5:6 van Pro de APVG 2021 en het Aanwijsbesluit kampeermiddelen e.a. (het Aanwijsbesluit) voor de volledige tekst van het verbod.
3.Dit is op grond van artikel 5:39, eerste lid, van de Awb.
5.Artikel 1.1 van de APVG 2021