ECLI:NL:RBNNE:2026:2739

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
25/2759
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12, eerste lid, van de IOWArt. 9 van de IOWWet inkomensvoorziening oudere werklozenWerkloosheidswetAlgemene ouderdomswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen herziening en terugvordering IOW-uitkering wegens pensioenontvangst

Eiser ontving vanaf 1 december 2020 een IOW-uitkering en vanaf 1 maart 2021 een ouderdomspensioen, welke hij niet aan het Uwv heeft gemeld. Het Uwv herzag de uitkering en vorderde een bedrag van €34.429,10 terug, dat later werd gehalveerd vanwege de lange terugvorderingsperiode en financiële gevolgen voor eiser.

Eiser betoogde dat hij zijn pensioen naar voren had gehaald om te overleven en dat zijn bestaanszekerheid door de terugvordering wordt bedreigd. Hij stelde dat het Uwv een zorg- en informatieplicht had en vroeg om kwijtschelding van de terugvordering.

De rechtbank oordeelde dat eiser verplicht was het pensioen te melden en dat het Uwv terecht de uitkering herzag en terugvorderde. De belangenafweging van het Uwv, waarbij de terugvordering werd gehalveerd, was niet onevenredig. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de herziening en terugvordering van de IOW-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/2759

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [plaats], eiser,

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: mr. E.E. Dogger).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het besluit van het Uwv om de IOW [1] -uitkering van eiser over de periode van 1 maart 2021 tot en met 30 september 2023 te herzien en de terugvordering te beperken tot een bedrag van € 17.214,55. Eiser is het hiermee niet eens; hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand daarvan beoordeelt de rechtbank het beroep.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

1. Met besluiten van 14 november 2023 en 21 november 2023 heeft het Uwv eisers IOW-uitkering over de periode van 1 maart 2021 tot en met 30 september 2023 herzien en het bedrag dat hij te veel heeft ontvangen teruggevorderd.
1.1.
Met het bestreden besluit van 23 oktober 2024 op het bezwaar van eiser heeft het Uwv het teruggevorderde bedrag gehalveerd.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld van [naam], en de gemachtigde van het Uwv.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser, geboren in 1957, ontving tot 1 december 2020 een WW [2] -uitkering. Het Uwv heeft hem met het besluit van 4 december 2020 vanaf 1 december 2020 een IOW-uitkering toegekend (het toekenningsbesluit). Vanaf 1 maart 2021 heeft hij een ouderdomspensioen van Nationale Nederlanden Levensverzekering Maatschappij NV (het pensioen) ontvangen. Eiser heeft deze informatie niet aan het Uwv doorgegeven. Op 11 november 2023 heeft eiser de AOW [3] -leeftijd bereikt. Bij het afsluiten van de IOW-uitkering heeft het Uwv ontdekt dat eiser inkomsten heeft ontvangen en het pensioen geheel in mindering gebracht op de IOW-uitkering. Het Uwv heeft daarom € 34.429,10 bruto van eiser teruggevorderd.
2.1.
Met het bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de terugvordering gehalveerd. Het Uwv heeft rekening gehouden met de lange duur waarover te veel uitkering is betaald en met de financiële gevolgen voor eiser.
Wat vindt eiser?
3. Eiser is het niet eens met de hoogte van de terugvordering. Hij heeft zijn pensioen naar voren gehaald om te overleven, niet om zich te verrijken. Gevolg is dat zijn pensioen nu lager is. Hierdoor kan hij een fors bedrag aan pensioen mislopen. Daarnaast wordt hij geconfronteerd met een toename van kosten. Zijn bestaanszekerheid wordt zo bedreigd. Het Uwv had een zorg- en informatieplicht en van eiser kan niet verwacht worden dat hij alle regels kent. Hij verwacht kwijtschelding van het geheel.
Wat vindt het Uwv?
4. Het Uwv ziet geen reden voor verdere verlaging van het teruggevorderde bedrag. De oorzaak ligt bij eiser. De gevolgen die hij noemt leveren geen dringende reden op. Desondanks heeft het Uwv de terugvordering gehalveerd, mede door de lange duur waarover te veel uitkering is betaald. Van bedreiging van zijn bestaanszekerheid is geen sprake, omdat eiser op zijn verzoek uitstel heeft gekregen voor de aflossing van de terugvordering. Het had hem redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij deze informatie door moest geven vanwege onder meer de informatie in het toekenningsbesluit.
Wat vindt de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of het Uwv de IOW-uitkering moest herzien en terugvorderen en of er dringende redenen zijn die aanleiding geven om de terugvordering te verlagen. Zij komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is.
5.1.
De uitkeringsgerechtigde is verplicht op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering aan het Uwv te verstrekken. [4]
5.2.
Niet in geschil is dat eiser het Uwv niet heeft geïnformeerd over het pensioen. Anders dan hij veronderstelt, heeft het Uwv eiser in het toekenningsbesluit van 4 december 2020 gewezen op de informatieplicht en de gevolgen van pensioen op zijn IOW-uitkering, en wel als volgt (waarbij de onderstreping van de rechtbank is):

Heeft u nog andere inkomsten, bijvoorbeeld een andere uitkering ofeen pensioen? Dan wordt een bedrag gelijk aan die inkomsten volledig afgetrokken van het basisbedrag.[…]Een van uw plichten is om wijzigingen in uw situatie aan ons door te geven. Dit moet u doen direct nadat de wijziging bij u bekend had kunnen zijn. Doet u dit niet? Dan krijgt u tijdelijk minder of geen uitkering en/of een boete. Als u te veel uitkering ontving, dan moet u dat bedrag terugbetalen.’
5.3.
Dat brengt met zich mee dat het Uwv verplicht is de IOW-uitkering van eiser te herzien. [5] Het is in beginsel gehouden de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. In geval van dringende redenen kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien.
5.4.
Bij zijn tussenuitspraak van 18 april 2024 [6] heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zijn uitleg van de dringende reden verruimd. De CRvB ziet het begrip dringende reden voortaan als een open norm waarbinnen het Uwv, tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, de relevante feiten en omstandigheden zodanig moet afwegen dat die afweging een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, zal kunnen doorstaan. Daarbij moet niet alleen rekening worden gehouden met de gevolgen van de intrekking en terugvordering, maar ook met de oorzaak daarvan. Voor zover de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, zal de bestuursrechter een herzienings- of terugvorderingsbesluit dat een dergelijke belangenafweging bevat, voortaan toetsen op geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid, waarbij de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de wetgever heeft gekozen voor een systeem van verplichte herziening en terugvordering, indien achteraf blijkt dat een recht op uitkering niet op de juiste wijze is vastgesteld. Voor wat betreft herzienings- en terugvorderingsbesluiten, genomen door het Uwv, geldt dat de toetsing van de bestuursrechter, gelet op de aard van de betrokken belangen en de geringe mate van beleidsruimte van het Uwv, op het punt van de evenwichtigheid intensief zal zijn.
5.5.
Het Uwv heeft bij de beoordeling van de dringende reden zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de terugvordering alle relevante feiten en omstandigheden meegewogen.
5.6.
Over de oorzaak heeft het Uwv terecht meegewogen dat eiser het pensioen niet heeft gemeld aan het Uwv. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser het pensioen slechts enkele maanden na het toekenningsbesluit (met daarin de informatie over de invloed van een pensioen op IOW-de uitkering) is gaan ontvangen. Het Uwv heeft overwogen dat eiser niet bewust zijn inkomsten uit pensioen niet aan hem heeft doorgegeven, met het doel zich te verrijken. Het Uwv heeft rekening gehouden met de gevolgen voor eiser en de financiële impact op hem. Ook heeft het overwogen dat door de duur van de periode waarover eiser te veel IOW-uitkering heeft ontvangen, het voor hem mogelijk minder duidelijk is geweest dat hij (deels) onverschuldigd IOW-uitkering ontvangen had. Het Uwv heeft de terugvordering daarom verlaagd tot € 17.214,55 bruto. Op de zitting heeft het Uwv gesteld dat het met een verlaging van de terugvordering met 50% zijn eigen aandeel ruimschoots heeft meegewogen. De rechtbank heeft geen reden hieraan te twijfelen. Zij overweegt daarbij dat eiser zijn standpunten over zijn benaderde financiële positie niet heeft onderbouwd met stukken. Daarbij heeft het Uwv op de zitting toegelicht rekening te houden met eisers draagkracht in een betalingsregeling. Als eiser vijf jaar aan zijn betalingsverplichting voldoet, komt hij mogelijk in aanmerking voor kwijtschelding. Het Uwv heeft hiermee voldoende gewicht toegekend aan de relevante feiten en omstandigheden van dit geval. De uitkomst van de door het Uwv gemaakte belangenafweging acht de rechtbank daarom niet onevenredig.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. O.J.J.C. Koopmans, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet inkomensvoorziening oudere werklozen.
2.Werkloosheidswet.
3.Algemene ouderdomswet.
4.Artikel 12, eerste lid, van de IOW.
5.Artikel 9 van Pro de IOW.