Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2341

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
C18/245779 HA ZA 25-162
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:302 BWArt. 3:303 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:136 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bevestigt geen tekortkoming BioMCN in levering en gebruik methanolinfrastructuur

BioMCN vordert negatieve verklaringen voor recht dat zij niet tekortgeschoten is in de nakoming van de Leidingwerkovereenkomst en GMT-overeenkomst, en dat zij niet gehouden is tot betaling van betwiste facturen van ChemCom. ChemCom betwist dit en beroept zich op verrekening en opschorting.

De rechtbank stelt vast dat ChemCom haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Er is geen bewijs dat BioMCN verplicht was een minimumvoorraad methanol aan te houden of dat zij kosteloos gebruik van de Binnensteiger en laad- en losarm moest garanderen. Ook is geen minimale lossnelheid van 300 ton per uur overeengekomen.

De rechtbank wijst de meeste verklaringen voor recht toe, behalve dat BioMCN geen recht heeft verleend voor kosteloos gebruik van methanolleidingen tussen opslagtanks en steigers. Het beroep van ChemCom op verrekening en opschorting wordt verworpen omdat de tegenvorderingen onvoldoende zijn onderbouwd en deels reeds door Methanex zijn voldaan.

ChemCom wordt veroordeeld tot betaling van €1.801.702,74 met wettelijke handelsrente vanaf 30 dagen na ontvangst van de facturen, en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De rechtbank veroordeelt ChemCom tevens tot betaling van wettelijke rente over de proceskosten bij niet-tijdige betaling.

Uitkomst: BioMCN is niet tekortgeschoten en ChemCom moet €1.801.702,74 met rente en proceskosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/245779 / HA ZA 25-162
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
BIOMETHANOL CHEMIE NEDERLAND B.V.,
statutair gevestigd en kantoorhoudende te Farmsum,
eiseres, hierna te noemen: BioMCN,
advocaten: mr. T.L. Claassens (te Amsterdam) en mr. S.H.P. Koster (te Rotterdam),
tegen
CHEMCOM INDUSTRIES B.V.,
statutair gevestigd te Groningen, kantoorhoudende te Farmsum,
gedaagde, hierna te noemen: ChemCom,
advocaten: mr. K.J. Krzeminski, mr. L. Gasseling en mr. L. Zeldenrust (te Amsterdam),

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 oktober 2025;
- de akte wijziging c.q. vermeerdering van eis tevens overlegging producties B-39 t/m B-42;
- de akte overlegging producties B-43 en B-44 aan de zijde van BioMCN;
- de akte overlegging producties CC-28 t/m CC-31 aan de zijde van ChemCom;
- de akte uitlating eisvermeerdering aan de zijde van ChemCom.
1.2.
Op 18 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- [naam 1] , [functie] van BioMCN;
- [naam 2] , werkzaam als [functie] bij BioMCN;
- mr. T.L. Claassens, advocaat van BioMCN;
- mr. S.H.P. Koster, advocaat van BioMCN;
- [naam 3] , [functie] van ChemCom;
- [naam 4] , werkzaam als [functie] bij ChemCom;
- [naam 5] , werkzaam als [functie] bij ChemCom;
- mr. L. Gasseling, advocaat van ChemCom;
- mr. L. Zeldenrust, advocaat van ChemCom.
1.3.
Door de griffier zijn aantekeningen gemaakt van de mondelinge behandeling. De spreekaantekeningen van de advocaten van partijen zijn toegevoegd aan het dossier.
1.4.
Tot slot is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
BioMCN is actief in de productie en verkoop van (bio-)methanol. Ten tijde van de aanvang van deze procedure behoorde BioMCN tot het concern OCI Global. In de loop van deze procedure, per 27 juni 2025, is BioMCN overgenomen door Methanex.
2.2.
ChemCom drijft een onderneming die actief is in de productie van industriële chemicaliën. Een essentiële grondstof daarvoor is methanol.
2.3.
BioMCN en ChemCom zijn beiden gevestigd op het Chemiepark Delfzijl (hierna: Chemiepark), en zijn beiden voormalige dochtervennootschappen van Akzo Nobel, die het Chemiepark tot 1985 exploiteerde. Op het Chemiepark zijn tevens JPB, Linde Gas en Nobian gevestigd.
2.4.
Het Chemiepark is oorspronkelijk ingericht op het voeren van één geïntegreerde onderneming, waardoor de nadien afgesplitste ondernemingen (deels) afhankelijk zijn geworden van het bij elkaar afnemen van verschillende producten en diensten, waaronder de aanwezige methanolinfrastructuur en de aansluiting op "utilities" zoals stikstof, stoom en elektriciteit.
2.5.
ChemCom heeft geen eigen aansluiting op utilities, maar maakt in haar productieproces gebruik van utilities die door BioMCN worden afgenomen van Nobian en Linde Gas en vervolgens door haar worden doorgeleverd aan ChemCom. BioMCN factureert maandelijks achteraf de doorgeleverde utilities aan ChemCom.
2.6.
Op het Chemiepark bevinden zich vijf methanol-opslagtanks. Deze waren oorspronkelijk in eigendom van BioMCN. Sinds 2009 zijn drie van deze opslagtanks eigendom van ChemCom.
2.7.
Het Chemiepark beschikt over twee aanlegsteigers, te weten een Buitensteiger (aan de Eems) en een Binnensteiger (aan het Oosterhornkanaal). De Buitensteiger is eigendom van JPB, de Binnensteiger is eigendom van BioMCN.
2.8.
Op de Binnensteiger staat een laad- en losarm, die eigendom is van JPB. De laad- en losarm is bedoeld voor het laden en lossen van vloeistoffen zoals methanol.
2.9.
De methanolleidingen tussen de beide steigers en de opslagtanks zijn eigendom van JPB. De methanolleidingen tussen de opslagtanks en het Chemiepark zijn eigendom van BioMCN.
2.10.
ChemCom is eigenaar van leidingbruggen.
2.11.
De samenwerking tussen de partijen op het Chemiepark heeft jarenlang een informeel karakter gehad, waarbij niet of nauwelijks schriftelijke afspraken zijn gemaakt. Wel zijn in de loop der tijd twee overeenkomsten op schrift gesteld, de GMT-Overeenkomst van 17 november 2009 en de Leidingwerkovereenkomst van 19 november 2018.
2.12.
In 2009 heeft BioMCN drie methanol-opslagtanks verkocht aan ChemCom en zijn in de GMT-Overeenkomst afspraken gemaakt over het gezamenlijk gebruik van de opslagtanks. De GMT-Overeenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:
"> Capaciteitsplanning en voorraadplanning
Als onderdeel van haar verantwoordelijkheid m.b.t. de voorraadadministratie is
BioMCN is ook verantwoordelijk voor de planning van opslag capaciteit en
voorraden. BioMCN garandeert dat er voor Dynea altijd maximaal 20.000 ton
opslagcapaciteit beschikbaar is. BioMCN garandeert daarmee dat de
aangevoerde MeOH van Dynea altijd opgeslagen kan worden in het gezamelijke
tankenpark. In principe wordt de Dynea voorraad altijd opgeslagen in T501 en/of
T502. Echter Partijen erkennen dat de tanks onderling aangesloten zijn en het
voor de operaties niet relevant is in welke tank, van de 5 beschikbare tanks, de
feitelijke voorraad van Partijen zich bevind.
(…)
> Kostenverdeling instandhouding T501, 502 en 503
De kosten van T501, 502 en 503 worden overeenkomstig het voorstel van
BioMCN verdeeld tussen Partijen:
• T501 aangeduid als een dedicated tank voor Dynea, kosten volledig voor
rekening van de dedicated partij Dynea.
• T502 worden door beide Partijen gezamelijk, ieder 50% gedragen;
• T503 de off-spec tank, is dedicated voor BioMCN en komt volledig voor
rekening van de dedicated partij BioMCN.
• BioMCN tanks T2604 en T2605 vanzelfsprekend eigendom en dedicated
voor BioMCN. Alle kosten van deze tanks zijn voor rekening van BioMCN.
Tot de kosten van T501, 502 en 503 worden o.a. gerekend:
- Onderhoud
- Erfpacht waarbij het betreffende perceel voor 1/3-toegerekend wordt aan
iedere tank;
- OZB
- Capital Charge van 15% voor 15 jaar, fixed fee niet geïndexeerd.
Basis Capital Charge zijn de overname prijzen van de tanks bij levering-
• T501: € 250.000,00;
• T502: € 250.000,00;
• T5O3: € 0,00.
> Aansprakelijkheid
De samenwerking zal geschieden op basis van “goed huisvaderschap".
Behoudens hetgeen genoemd onder re-routing zullen Partijen elkaar niet
aansprakelijk stellen voor de uitvoering van deze overeenkomst behoudens
indien er sprake is van grove schuld of nalatigheid."
2.13.
Naar aanleiding van het verzoek van BioMCN om de leidingbruggen van ChemCom te mogen gebruiken voor de aanleg van nieuwe methanolleidingen en de voorwaarden waaronder ChemCom bereid was daaraan mee te werken, is tussen partijen op 19 november 2018 de Leidingwerkovereenkomst gesloten. De Leidingwerkovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:
"3. Methanol leiding | Eigendom
Zowel de nieuwe productleiding als de dampretourleiding zijn eigendom van JPB. Echter CCI heeft geen relatie met JPB en JPB heeft, en krijgt, geen toestemming van CCI om activa, leidingbruggen, in eigendom van CCI te gebruiken. Om die reden is en blijft ook in de toekomst BMCN "virtueel" eigenaar en verantwoordelijke partij jegens CCI inzake deze methanolleidingen.
4. Methanol leiding | Asset management & onderhoud
Ondanks dat de methanolleidingen (product en dampretour leidingen) eigendom zijn van JPB aanvaart en blijft BMCN verantwoordelijk voor asset management en onderhoud. BMCN garandeert aan CCI dat deze leidingen geschikt zijn en geschikt gehouden blijven voor de bedoeling waarvoor deze zijn aangelegd, zijnde product en dampretour leidingen methanol (…)
5. Methanol leiding | Routes naar buiten- en binnenhaven
BMCN heeft in overleg met JPB besloten de leidingroutes voor methanol van/naar de binnen-en buitensteigers te vernieuwen en deels via andere routes te laten verlopen. De nieuwe route van het methanol leidingwerk tussen de methanol tankopslag, van JPB en CCI, en de steigers, binnen- en buitenhaven, zijn schematisch weergegeven in het overzicht zoals bijgesloten als bijlage B bij deze brief.
6. Gebruik CCI methanolleidingen naar binnen- en buitenhaven.
Onverlet het eigendom van deze leidingen en onverlet de contractuele afspraken tussen JPB en BMCN of tussen JPB en CCI garandeert en geeft BMCN het eeuwigdurende gebruiksrecht aan CCI om het methanolleidingwerk tussen de methanol tankopslag, van JPB en CCI, en de steigers, binnen- en buitenhaven vrij van kosten te kunnen gebruiken. Voor zover nodig zal BMCN zorgdragen dat het gebruiksrecht van CCI juridisch juist en zorgvuldig is vastgelegd.
(…)
13. Aansprakelijkheid
BMCN is verantwoordelijk voor de bouw van de leidingen in de leidingbruggen van CCI en zal deze werkzaamheden met de grootste zorg, en de minste hinder voor CCI, uitvoeren. BMCN is aansprakelijk voor alle schade welke BMCN of voor haar werkende derden veroorzaken tijdens de bouw van deze leidingen. Na oplevering en ingebruikname is BMCN aansprakelijk voor de wijze waarop zij het door CCI ter beschikking gestelde leidingbruggen gebruikt, verantwoordelijk voor de betreffende leidingen en het gebruik daarvan en aansprakelijk voor alle schade welke CCI of derden mochten lijden veroorzaakt door BMCN of voor haar werkende derden."
2.14.
ChemCom koopt de methanol die zij in haar productieproces gebruikt al langere tijd in bij Methanex. Daartoe is per 1 januari 2016 de "Methanol Sales Agreement" (hierna: MSA) gesloten. De MSA luidt, voor zover van belang, als volgt:
"5. Price:
The price (“Price") per Tonne of Product to be paid by Buyer to Seller for Product delivered under this Agreement shall be determined monthly as follows:
Price =(RP-Discount)/(1+Duty)
Where:
(…)
Discount = 16.6% *RP
(…)
11.2
Vessel demurrage: Buyer shall ensure that it provides Seller at the Delivery Point with an appropriately sized discharge infrastructure so that Seller is able to discharge and deliver Product at a minimum average discharge rate of 240 Tonnes and a maximum discharge rate of 280 Tonnes per hour (…)
11.3
Allowed laytime at the Delivery Point shall be 35 hours for parcels of 8400 Tonnes. For different parcel sizes, the allowed laytime shall be pro-rated based on the volume discharged and the 35 hours reference. (…)"
2.15.
Vanaf 1 januari 2017 is de MSA een aantal malen geamendeerd, waarbij (onder ander) de formule voor de prijs is aangepast. De volgende amendementen hebben plaatsgevonden.
Per 1 januari 2017:
"Price = (RP - Discount)/(1+Duty) - Extra Rebate
Where:
(…)
Discount = 16.6% * RP
(…)
Extra Rebate = 5.9 €/MT for the year 2017. Seller agrees to grant this Extra Rebate to Buyer as long as Seller has a swap agreement in place with a third party such that it can deliver Product to Buyer under this Agreement via pipeline. If Seller does not have such a swap agreement in place, then it will notify the Buyer and the Extra Rebate will no longer be applicable with immediate effect.”
Per 1 januari 2019:
"Price = RP- Discount
Where:
(…)
Discount = 22.5%* RP, for the year 2019
24% * RP, for the year 2020
24.5% * RP, for the year 2021"
Per 1 januari 2021:
"Price = RP- Discount
Where:
(…)
Discount = 27% * RP, for the year 2021
30.5% * RP, for the year 2022
30.25% * RP, for the year 2023"
Per 1 januari 2023:
"Price = RP - Discount + Freight
Where:
(…)
Freight = 7 Euro for the year 2023
At least 20 days prior to December 31, 2023, the parties will begin good faith negotiations towards a mutually satisfactory agreement on an adjustment (if requested by a party) to the Freight rate used in the Price for the year 2024.
Discount = 33.25% * RP"
Per 1 januari 2024:
"Price = RP - Discount + Freight
Where:
(…)
Freight = 10 Euro
Discount = 39.25% * RP”
Per 1 januari 2026:
"Price = RP- Discount
Where:
(…)
Discount = 46% * RP"
2.16.
De levering van methanol door Methanex aan ChemCom vond aanvankelijk plaats vanuit de voorraad methanol die BioMCN aanhoudt op het Chemiepark, door middel van een zogeheten "tankswap", op grond van een Swapovereenkomst tussen BioMCN en Methanex. De tankswap hield in dat Methanex de door ChemCom gewenste hoeveelheid methanol in Rotterdam levert in een opslagtank van BioMCN, en dat diezelfde hoeveelheid methanol van BioMCN in de opslagtank op het Chemiepark wordt gealloceerd voor ChemCom.
2.17.
In juli 2021 heeft BioMCN haar onderneming tijdelijk gestaakt. In december 2021 is een einde gekomen aan de Swapovereenkomst.
2.18.
Sinds januari 2022 levert Methanex de methanol per binnenvaartschip via de Binnensteiger zelf/direct aan ChemCom. De lossnelheid aan de Binnensteiger bleek 60 ton per uur, waardoor het lossen langer duurde dan de tussen Methanex en ChemCom overeengekomen ligtijd in de MSA. Door Methanex is in de periode 2022 t/m 2024 een bedrag van € 425.725,06 exclusief BTW aan overliggelden (demurrage) in rekening gebracht bij ChemCom. Eind 2024 heeft ChemCom verbeteringen aan de methanolleidingen van BioMCN laten aanbrengen waardoor de lossnelheid aan de Binnensteiger is verhoogd. Nadien zijn door Methanex geen overliggelden in rekening gebracht bij ChemCom.
2.19.
JPB heeft onder de noemer "steigerhuur" de kosten voor het gebruik van de laad- en losarm op de Binnensteiger in rekening gebracht aan ChemCom, in de periode 2022 t/m 2024 een bedrag van € 656.765,62 exclusief BTW en over de periode januari t/m april 2025 een bedrag van € 26.438,44 exclusief BTW.
2.20.
JPB heeft onder de noemer "demurrage scheepsverlading" de arbeidskosten voor het lossen van de schepen in rekening gebracht aan ChemCom, over de periode 2022 t/m 2024 een bedrag van € 264.717,82 exclusief BTW en over de periode januari t/m april 2025 een bedrag van € 7.507,95 exclusief BTW.
2.21.
Methanex heeft aan ChemCom de door JPB gefactureerde bedragen betaald. Daarbij is geen BTW berekend omdat sprake was van een vrijgestelde intracommunautaire transactie.
2.22.
Bij brief van 29 januari 2025 heeft ChemCom door middel van drie facturen de hierboven genoemde kosten over 2022 t/m 2024 doorbelast aan BioMCN.
2.23.
ChemCom heeft vanaf januari 2025 een bedrag van € 1.801.702,74 aan facturen van BioMCN voor afgenomen utilities onbetaald gelaten.
2.24.
Op 28 april 2025 heeft BioMCN een kort geding aanhangig gemaakt waarin zij betaling van het bedrag van € 1.801.702,74 vorderde. ChemCom heeft zich verweerd en een beroep gedaan op verrekening c.q. opschorting van haar betalingsverplichtingen in verband met de drie facturen van 29 januari 2025. De voorzieningenrechter heeft bij vonnis van 23 mei 2025 het beroep op verrekening gepasseerd, maar de vordering afgewezen vanwege het (mogelijk slagen van het) beroep op opschorting. BioMCN heeft tegen dit vonnis in kort geding hoger beroep ingesteld.

3.Het geschil

3.1.
BioMCN vordert (na wijziging c.q. vermeerdering van eis) om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren
(a) dat BioMCN jegens ChemCom niet is tekortgeschoten in de nakoming van de Leidingbrugovereenkomst en de Bijlage;
(b) dat BioMCN jegens ChemCom niet gehouden is om ChemCom's betwiste facturen in verband met het gebruik van de Binnensteiger te voldoen (facturen [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] );
(c) dat BioMCN geen recht aan ChemCom heeft verleend voor het (kosteloos) gebruiken van:
(i) het methanolleidingwerk van de Binnensteiger naar de opslagtanks op het Chemiepark Delfzijl; en/of
(ii) de overige methanolinfrastructuur aan de Binnensteiger (en de buitensteiger), waaronder de laad- en losarm;
(d) dat ChemCom en BioMCN geen lossnelheden voor lossingen aan de Binnensteiger zijn overeengekomen en dat BioMCN niet aansprakelijk is voor (vermeende) demurrageschade (bestaande uit demurragefacturen van Methanex en 'extra manuren' van JPB) geleden door ChemCom in verband met het gebruik van de Binnensteiger;
(e) dat ChemCom ten onrechte betaling van de Vordering heeft opgeschort of verrekend.
II. indien en voor zover het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ChemCom (nog) niet heeft veroordeeld tot betaling van de volledige vordering:
(a) ChemCom te veroordelen tot betaling van de Vordering ter hoogte van € 1.801.702,74, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de data genoemd in de tabel onder randnummer 59 van de Dagvaarding;
(b) ChemCom in verband met de Vordering te veroordelen tot betaling aan BioMCN van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten;
III. primair: ChemCom te veroordelen in de volledige werkelijk gemaakte proceskosten waaronder de door BioMCN gemaakte advocaatkosten;
subsidiair: ChemCom te veroordelen in de proceskosten.
IV. de wettelijke rente over de proceskosten vanaf de vijftiende dag na dagtekening van het vonnis.
3.2.
ChemCom voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van BioMCN, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van BioMCN, met veroordeling van BioMCN in de kosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente over de proceskosten vanaf veertien dagen na de dagtekening van het vonnis.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Eiswijziging
4.1.
BioMCN heeft bij akte d.d. 9 februari 2026 haar eis gewijzigd c.q. vermeerderd. Op grond van artikel 130 Rv Pro is een eisvermeerdering toegestaan zolang er nog geen eindvonnis is gewezen, tenzij dit (ambtshalve) in strijd wordt geacht met de goede procesorde of de wederpartij op die grond tegen die eiswijziging bezwaar heeft gemaakt.
4.2.
ChemCom heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging als zodanig. Ook ambtshalve ziet de rechtbank geen aanleiding deze buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde, temeer niet omdat ChemCom in de gelegenheid is geweest om bij akte inhoudelijk op de gewijzigde eis te reageren. De rechtbank zal dan ook beslissen op de gewijzigde eis.
Verklaringen voor recht
4.3.
BioMCN vordert een vijftal zogeheten "negatieve" verklaringen voor recht, zoals weergegeven bij r.o. 3.1 onder I. Bij de beoordeling hiervan stelt de rechtbank het volgende voorop.
4.4.
Op grond van artikel 3:302 BW Pro kan de rechter op vordering van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon omtrent die rechtsverhouding een verklaring voor recht uitspreken. Artikel 3:303 BW Pro bepaalt dat niemand zonder belang een rechtsvordering toekomt. In geval van betwisting van dat belang rusten de stelplicht en bewijslast voor de aanwezigheid van dat belang bij de partij die de vordering instelt. In het onderhavige geval heeft BioMCN gesteld dat zij door middel van de negatieve verklaringen voor recht een einde wenst te maken aan onzekerheid over de tussen partijen bestaande rechtsverhouding. In lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad beschouwt de rechtbank dit als een voldoende belang [1] .
4.5.
De hoofregel van artikel 150 Rv Pro houdt in dat de partij die zich beroept op de (voor haar gunstige) rechtsgevolgen van de tussen partijen bestaande rechtsverhouding, daartoe de noodzakelijke feiten moet stellen en (bij voldoende betwisting) bewijzen. Wanneer een verklaring voor recht in geschil is moet, ongeacht of deze in positieve of negatieve zin is geformuleerd, worden gekeken welke partij zich daarbij beroept op de voor haar gunstige rechtsgevolgen. Niet van belang is welke partij de verklaring vordert. [2]
4.6.
De verklaringen voor recht die BioMCN vordert, komen er in feite grotendeels op neer dat zij meent dat zij niet is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de GMT-overeenkomst en de Leidingwerkovereenkomst. ChemCom bestrijdt deze verklaringen voor recht, en beroept zich op de rechtsgevolgen (ontstane verbintenissen) die volgens haar voortvloeien uit de beide overeenkomsten en het (beweerdelijk) tekortschieten daarin door BioMCN. Dit betekent dat ChemCom ter zake van dit tekortschieten voldoende feiten dient te stellen en dat zij, bij (voldoende) betwisting door BioMCN, de bewijslast daarvan draagt.
De verklaringen voor recht onder I (a), (b), (c) onder (ii) en (d)
4.7.
De rechtbank zal als eerste de verklaringen voor recht onder (a), (b), (c) onder (ii), en (d) behandelen.
4.8.
ChemCom stelt dat BioMCN op grond van de GMT-overeenkomst verplicht was om een minimumhoeveelheid van 1.500 ton methanol voor ChemCom aan te houden, en daarin is tekortgeschoten. ChemCom stelt dat BioMCN op grond van de Leidingwerkovereenkomst verplicht was ChemCom het kosteloos gebruik van de Binnensteiger en de daarop aanwezige laad- en losarm te garanderen, en ChemCom daarbij een minimale lossnelheid van 300 ton methanol per uur diende te bieden. ChemCom stelt dat BioMCN daarin is tekortgeschoten doordat de lossnelheid veel lager was dan 300 ton per uur en dat zij niet kosteloos gebruik kon maken van de Binnensteiger en de daarop aanwezige laad- en losarm omdat eigenaar JPB hiervoor kosten in rekening bracht.
4.9.
ChemCom stelt dat BioMCN ter nakoming van haar verplichtingen uit de beide overeenkomsten dan wel bij wijze van schadevergoeding, de kosten dient te vergoeden die door JPB aan haar zijn berekend voor het gebruik van de laad- en losarm op de Binnensteiger alsmede de meerkosten die zijn gemaakt vanwege de lage lossnelheid. ChemCom stelt dat zij deze kosten heeft mogen verrekenen met de facturen van BioMCN, althans dat zij de betaling van die facturen heeft mogen opschorten. Tot slot ChemCom nog dat zij een viertal andere vorderingen heeft mogen verrekenen, namelijk drie vorderingen in verband met de doorbelasting van (lease)kosten van methanoltanks op grond van de GMT-overeenkomst en een vordering in verband met de huur van een stoomketel op grond van een separate afspraak hierover met BioMCN.
4.10.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft ChemCom haar stellingen onvoldoende onderbouwd. Daartoe wordt het volgende overwogen.
4.11.
ChemCom verwijst ter onderbouwing van haar stelling dat BioMCN verplicht was om minimaal 1.500 ton methanol voor ChemCom aan te houden in de eerste plaats naar de GMT-overeenkomst zelf. In het bijzonder verwijst zij naar de verantwoordelijkheid voor BioMCN voor het bijhouden van een voorraadadministratie en de planning van opslagcapaciteit en voorraden, waarbij voor ChemCom altijd 20.000 ton opslagcapaciteit beschikbaar moet zijn. De rechtbank stelt echter vast, zoals ook terecht door BioMCN is gesteld, dat in deze passages uit de GMT-overeenkomst géén verplichting kan worden gelezen om 1.500 ton methanol
op voorraadte houden voor ChemCom.
4.12.
ChemCom heeft ter onderbouwing verder verwezen naar de wijze waarop in de praktijk uitvoering werd gegeven aan de GMT-overeenkomst. Uit Excel-sheets van de voorraadplanning blijkt volgens ChemCom dat door BioMCN altijd een "minimum stock" van 1.500 ton methanol voor ChemCom werd aangehouden, en uit notulen van een bespreking van partijen van 16 december 2013 blijkt volgens ChemCom de vastlegging van deze afspraak. BioMCN voert ter betwisting aan dat de minimumvoorraad die in het verleden werd aangehouden, gezien moet worden in het licht van de Swapovereenkomst tussen BioMCN en Methanex en dat nooit een overeenkomst tot levering van methanol heeft bestaan tussen BioMCN en ChemCom. Deze betwisting vindt naar het oordeel van de rechtbank steun in de overige feiten. Onbetwist is dat er een overeenkomst tot levering van methanol tussen ChemCom en Methanex was gesloten, en niet tussen ChemCom en BioMCN. De Swapovereenkomst hield in dat Methanex methanol aan ChemCom kon leveren vanuit de voorraad van BioMCN. In die zin is verklaarbaar waarom BioMCN gehouden zou kunnen zijn geweest methanol "voor ChemCom" aan te houden. Na het einde van de Swapovereenkomst per december 2021 is Methanex echter de methanol zelf per schip gaan aanleveren en niet meer vanuit de voorraad van BioMCN. Op grond waarvan BioMCN ook na het einde van de Swapovereenkomst nog een (eventuele) verplichting had om minimaal 1.500 ton methanol voor ChemCom aan te houden, is niet inzichtelijk en ook niet (voldoende) nader onderbouwd.
4.13.
ChemCom verwijst ter onderbouwing van haar stelling dat zij kosteloos gebruik mocht maken van de Binnensteiger en de daarop aanwezig laad- en losarm, naar de tekst van de Leidingwerkovereenkomst en naar de wijze waarop in de periode 2018-2021 consistent uitvoering werd gegeven aan de Leidingwerkovereenkomst wanneer wegens een te lage minimumvoorraad levering niet via de Swapovereenkomst plaatsvond maar per schip. In het licht van de betwisting hiervan door BioMCN is de rechtbank van oordeel dat ook deze onderbouwing ontoereikend is. Uit de tekst van de leidingwerkovereenkomst valt niet op te maken dat ChemCom het kosteloos gebruik van de Binnensteiger en de daarop aanwezige laad- en losarm is gegarandeerd. Blijkens de tekst ziet deze garantie slechts op het gebruik van het leidingwerk tussen de tankopslag, steigers en havens. De Binnensteiger en de laad- en losarm worden niet genoemd. Door ChemCom is niet onderbouwd hoe de uitvoering van de overeenkomst er in de periode 2018-2021 uit heeft gezien ten aanzien van het gebruik van de Binnensteiger en de laad- en losarm, laat staan dat is onderbouwd waarom daaruit moet worden afgeleid dat BioMCN vanaf 2022 aan ChemCom kosteloos gebruik van de Binnensteiger en de laad- en losarm heeft gegarandeerd.
4.14.
Ter onderbouwing van haar stelling dat BioMCN diende zorg te dragen voor een minimale lossnelheid van 300 ton methanol per uur, stelt ChemCom in de eerste plaats dat dit expliciet tussen partijen is overeengekomen. Daarnaast verwijst zij naar de bepaling in de Leidingwerkovereenkomst waarin BioMCN garandeert dat de leiding geschikt is als productleiding voor methanol. Die geschiktheid impliceert volgens ChemCom dat de leiding voldoet aan de geldende marktstandaard, die volgens ChemCom een minimale lossnelheid van 300 ton per uur behelst. Deze stellingen, die door BioMCN worden betwist, zijn echter in het geheel niet onderbouwd. Nergens in de Leidingwerkovereenkomst wordt een minimale lossnelheid genoemd. Evenmin blijkt uit de stukken waarnaar ChemCom verwijst (in rn. 56 van de Conclusie van Antwoord) dat een minimale lossnelheid tussen ChemCom en BioMCN is overeengekomen, noch kan hieruit een marktbrede standaard worden afgeleid die inhoudt dat methanol met minimaal 300 ton per uur moet kunnen worden gelost. Tot slot is niet onderbouwd waarom, zelfs indien aangenomen zou worden dat 300 ton per uur gebruikelijk is in de markt, bij een lagere lossnelheid de leidingen als zodanig niet
geschiktzouden zijn als productleidingen voor methanol.
4.15.
Uit het voorgaande volgt dat ter zake van de vorderingen van BioMCN onder I (a), (b), (c) onder (ii), en (d) het bestaan van de door ChemCom gestelde verplichtingen uit de GMT-overeenkomst en Leidingwerkovereenkomst niet zijn komen vast te staan en dat ook niet kan worden aangenomen dat BioMCN in de nakoming van deze overeenkomsten is tekortgeschoten. De hierop ziende door BioMCN gevorderde verklaringen voor recht zullen dan ook worden toegewezen.
De verklaring voor recht onder I (c) onder (i)
4.16.
Ten aanzien van de verklaring voor recht bij I (c) onder (i) geldt het volgende. Door ChemCom wordt niet gesteld dat BioMCN in deze verplichting is tekortgeschoten en dat zij hierdoor schade heeft geleden. Wèl is tussen partijen in geschil wat er is overeengekomen over het gebruik van de methanolleidingen tussen de opslagtanks, steigers en havens. ChemCom stelt dat BioMCN heeft gegarandeerd dat zij deze methanolleidingen kosteloos mag gebruiken. BioMCN betwist dit, en voert aan dat de overeenkomst enkel ziet op het gebruik van de methanolleidingen
naarde havens en niet tevens op het gebruik ervan
vanafde havens. Naar het oordeel van de rechtbank is deze betwisting onvoldoende gemotiveerd. Weliswaar staat in het kopje van de betreffende bepaling in de Leidingwerkovereenkomst het woordje "naar", maar de bepaling zelf verwijst naar het leidingwerk "tussen" de opslagtanks, steigers en havens. Elders in de overeenkomst wordt afwisselend met de bewoordingen "naar", "van/naar" en "tussen" verwezen naar telkens hetzelfde leidingwerk. Uit de overeenkomst blijkt dat het om één productleiding gaat, die kennelijk kan worden gebruikt in beide richtingen. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de garantie voor het kosteloos gebruik mogen maken van het leidingwerk in beide richtingen geldt. De verklaring voor recht onder I (c) onder (i) moet daarom worden afgewezen.
De verklaring voor recht onder I (e)
4.17.
Zoals uit het voorgaande volgt zijn het bestaan van een vordering tot nakoming c.q. tot schadevergoeding wegens tekortschieten door BioMCN in haar verplichtingen uit hoofde van de GMT-overeenkomsten de Leidingwerkovereenkomst niet komen vast te staan. Het beroep van ChemCom op verrekening of opschorting in verband met deze vorderingen was dus reeds daarom ongegrond. Ten overvloede tekent de rechtbank hierbij aan dat door ChemCom in haar processtukken geen verweer is gevoerd tegen de stelling van BioMCN (dagvaarding onder rns. 11, 102 en 11) dat zij (BioMCN) ter zake van deze verplichtingen ook nimmer in verzuim is geraakt. Op de vraag van de rechtbank - gesteld bij gelegenheid van de mondelinge behandeling - wanneer het verzuim volgens ChemCom dan is ingetreden, heeft ChemCom slechts in algemene zin slechts verwezen naar ‘besprekingen’ en meer specifiek naar de brief van BioMCN van 28 februari 2025, waaruit valt af te leiden dat zij de betreffende verrekenposten betwistte en niet zou gaan voldoen. Van ingebrekestelling is kennelijk in ieder geval geen sprake geweest.
4.18.
Hier komt ten slotte nog bij dat, zelfs wanneer veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat er een deugdelijke grondslag bestaat waarop ChemCom de aan JPB betaalde kosten kan verhalen op BioMCN, onduidelijk is of en in hoeverre de betreffende vorderingen überhaupt nog bestaan. Immers is tijdens de onderhavige procedure aan het licht gekomen dat Methanex de facturen van JPB eerder reeds rechtstreeks aan ChemCom heeft vergoed en dat daarbij een vrijstelling van BTW van toepassing was. Daarmee zijn in beginsel de (eventuele) vorderingen van ChemCom - wegens betaling door Methanex - tenietgegaan. Door ChemCom is weliswaar nog betoogd dat Methanex de door haar vergoede kosten vervolgens weer op ChemCom heeft verhaald door middel van lagere kortingen en een "Freight-toeslag" vanaf 1 januari 2023, maar ChemCom heeft dit onvoldoende onderbouwd. Daargelaten dat de kortingen nimmer lijken te zijn verlaagd en sinds 2017 in elk amendement op de MSA hoger zijn geworden (hiervoor r.o. 2.15), is onduidelijk gebleven op welke gronden Methanex kosten in rekening heeft gebracht, hoe dit precies in (causaal) verband staat met tekortschieten door BioMCN en al helemaal dat en hoe de (eventuele) kostenverhogingen in de pas lopen met de facturen van JPB.
4.19.
Voor de vraag of de verklaring voor recht onder (e) kan worden toegewezen is tevens nog van belang of ChemCom met recht een beroep op verrekening heeft gedaan ten aanzien van de drie vorderingen in verband met doorbelasting van (lease)kosten van methanoltanks en de vordering in verband met de huur van een stoomketel, waaromtrent het volgende.
4.20.
Tussen partijen is niet in geschil dat de drie vorderingen van ChemCom in verband met de doorbelasting van (lease)kosten van methanoltanks reeds door BioMCN zijn voldaan, zodat ChemCom hier dus geen vordering meer heeft. Door ChemCom is nog aangevoerd dat zij er (in verband met de wettelijke rente over de vordering van BioMCN) desondanks belang bij heeft dat wordt vastgesteld dat deze vorderingen al waren voldaan door middel van verrekening vóórdat BioMCN deze facturen heeft voldaan. De rechtbank kan dit niet volgen. De verrekeningsverklaring waarnaar ChemCom verwijst ziet immers enkel op de facturen in verband met de demurragekosten van Methanex en de kosten van JPB en dus niet op de doorbelasting van (lease)kosten van methanoltanks. Nu de facturen reeds zijn betaald komt ChemCom ook in de onderhavige procedure geen beroep op verrekening (en evenmin op opschorting) meer toe.
4.21.
Voor de factuur voor de huur van de stoomketel geldt dat deze vordering evenmin genoemd werd in de verrekeningsverklaring van ChemCom. Voor de vraag of ChemCom in de onderhavige procedure (alsnog) een beroep op verrekening toekomt, geldt dat de rechtbank de gegrondheid daarvan niet op eenvoudige wijze kan vaststellen. De bedragen op de factuur worden door ChemCom niet nader onderbouwd, terwijl deze door BioMCN wel worden betwist en BioMCN al vanaf de ontvangst van de factuur in april 2025 heeft verzocht om de onderbouwing. Daarnaast is in geschil of ChemCom jegens BioMCN is tekortgeschoten in een afspraak om de verhuurder van de stoomketel aansprakelijk te stellen voor een tekortkoming zijnerzijds. Hierover zijn door partijen amper stellingen ingenomen. De rechtbank passeert daarom het beroep op verrekening op grond van artikel 6:136 BW Pro. Voor zover Chemcom zich ter zake van deze vordering beroept op algehele opschorting van haar betalingsverplichtingen, heeft zij niet gesteld - en is ook niet aannemelijk - dat deze opschorting gerechtvaardigd is.
4.22.
Uit het voorgaande volgt dat de verklaring voor recht onder (e) zal worden toegewezen.
Vordering geleverde utilities en wettelijke handelsrente
4.23.
De vordering van BioMCN ter hoogte van € 1.801.702,74 wordt op zichzelf door ChemCom niet betwist. Het beroep van ChemCom op verrekening c.q. opschorting wordt gepasseerd omdat het bestaan van haar tegenvordering onvoldoende is onderbouwd. De vordering van BioMCN moet daarom worden toegewezen.
4.24.
BioMCN vordert de wettelijke handelsrente over de aan de hoofdsom ten grondslag liggende factuurbedragen, telkens vanaf de datum waarop ChemCom volgens haar in verzuim is met de betaling van die factuur.
4.25.
ChemCom heeft ter verweer als eerste aangevoerd dat zij een beroep op verrekening c.q. opschorting heeft gedaan. Aan deze verweren gaat de rechtbank voorbij, nu zij hierboven reeds heeft geoordeeld dat ChemCom geen beroep op verrekening of opschorting toekomt.
4.26.
Verder heeft ChemCom de ingangsdata van de wettelijke handelsrente betwist. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.
4.27.
Op grond van artikel 6:119a BW is de wettelijke handelsrente verschuldigd met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling. Dit is anders dan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, waarbij wordt uitgegaan van het moment van verzuim, zoals door BioMCN betoogd. Door BioMCN is niet gesteld welke betalingstermijn is overeengekomen. Wel is door BioMCN verwezen naar de op de factuur vermelde betalingstermijn, maar dat maakt nog niet dat die termijn ook tussen partijen is overeengekomen.
4.28.
Bij gebreke van een overeengekomen betalingstermijn is op grond van artikel 6:119a lid 2 BW de wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldenaar de factuur heeft ontvangen. ChemCom heeft gesteld dat zij [factuur] op 6 januari 2025 heeft ontvangen, [factuur] op 5 februari 2025, facturen 2024/012 en 2024/016 op 4 maart 2025 en [factuur] op 2 april 2025. Deze ontvangstdata zijn door BioMCN niet betwist, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan zal uitgaan. De wettelijke handelsrente over de factuurbedragen zal dan ook worden toegewezen vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag volgend op de ontvangst van de factuur.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.29.
BioMCN vordert buitengerechtelijke incassokosten. Voor zover de grondslag ten aanzien van deze vordering niet expliciet wordt benoemd (zoals ChemCom betoogt) volgt uit de verwijzing door BioMCN naar het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten dat het gaat om een vordering als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub c BW Pro. BioMCN heeft gesteld dat zij, anders dan ter voorbereiding van de onderhavige procedure, werkzaamheden heeft verricht om ChemCom tot betaling te bewegen. De Hoge Raad heeft bepaald [3] dat voor de verschuldigdheid van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten niet relevant is welke incassowerkzaamheden de schuldeiser heeft verricht, zodat in beginsel een enkele brief voldoende is. BioMCN heeft ChemCom meerdere malen een aanmaning gestuurd. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde forfaitaire tarief. De vordering zal dan ook worden toegewezen.
De proceskosten/advocaatkosten
4.30.
BioMCN heeft, na vermeerdering van eis, haar vorderingen gewijzigd en gevorderd dat ChemCom tevens zal worden veroordeeld tot betaling van haar werkelijke proceskosten. Zij heeft daartoe aangevoerd dat ChemCom artikel 21 Rv Pro heeft geschonden door in de procedure achter te houden dat Methanex eerder al de facturen van JBP - waarop ChemCom zich ter verrekening beroept - heeft voldaan en, zo begrijpt de rechtbank, heeft geveinsd dat zij deze facturen zelf heeft moeten voldoen.
4.31.
De rechtbank is van oordeel dat ChemCom met het bovenstaande de verplichting uit artikel 21 Rv Pro (om de voor de beslissing relevante feiten volledig en naar waarheid aan te voeren) in ernstige mate heeft geschonden. ChemCom heeft een beroep gedaan op verrekening en opschorting terwijl zij op dat moment de aan JPB betaalde kosten al van Methanex vergoed had gekregen. Dit heeft zij niet uit eigener beweging bekendgemaakt aan BioMCN en de rechtbank, maar is pas na het indienen van de Conclusie van Antwoord door BioMCN ontdekt. Uit niet-naleving van deze verplichting kan de rechter de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. In dit geval acht de rechtbank het geraden om bij de berekening van de proceskostenveroordeling van ChemCom voor de proceshandelingen tot en met de eiswijziging uit te gaan van de daadwerkelijk door BioMCN gemaakte kosten in plaats van de forfaitaire berekening volgens het liquidatietarief.
Slotsom
4.32.
De verklaringen voor recht zullen worden toegewezen, met uitzondering van de verklaring bedoeld bij punt (c) onder (i).
4.33.
De vordering tot betaling van € 1.801.702,74 zal, zoals gevorderd, worden toegewezen indien en voor zover het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ChemCom (nog) niet heeft veroordeeld tot betaling van de volledige vordering. De wettelijke handelsrente wordt toegewezen vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag volgend op de ontvangst van de factuur.
4.34.
De buitengerechtelijke incassokosten worden, zoals gevorderd, worden toegewezen indien en voor zover het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ChemCom (nog) niet heeft veroordeeld tot betaling van de volledige vordering.
4.35.
ChemCom is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Daarbij zal voor wat betreft de advocaatkosten tot en met de akte eiswijziging worden uitgegaan van de daadwerkelijk gemaakte kosten op basis van de door BioMCN in producties 43 en 44 gegeven onderbouwing, en de daarna gemaakte kosten op basis van het liquidatietarief.
4.36.
De proceskosten van BioMCN worden begroot op:
- advocaatkosten t/m eiswijziging
42.177,50
- griffierecht
10.188,00
- salaris advocaat zitting
4.631,00
(1 punt × € 4.631,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
57.185,50
4.37.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht:
(a) dat BioMCN jegens ChemCom niet is tekortgeschoten in de nakoming van de Leidingbrugovereenkomst en de Bijlage;
(b) dat BioMCN jegens ChemCom niet gehouden is om ChemCom's betwiste facturen in verband met het gebruik van de Binnensteiger te voldoen (facturen [nummer] , [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] );
(c) dat BioMCN geen recht aan ChemCom heeft verleend voor het (kosteloos) gebruiken van de overige methanolinfrastructuur aan de Binnensteiger (en de buitensteiger), waaronder de laad- en losarm;
(d) dat ChemCom en BioMCN geen lossnelheden voor lossingen aan de Binnensteiger zijn overeengekomen en dat BioMCN niet aansprakelijk is voor (vermeende) demurrageschade (bestaande uit demurragefacturen van Methanex en 'extra manuren' van JPB) geleden door ChemCom in verband met het gebruik van de Binnensteiger;
(e) dat ChemCom ten onrechte betaling van de Vordering heeft opgeschort of verrekend,
5.2.
veroordeelt ChemCom om, indien en voor zover het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ChemCom (nog) niet heeft veroordeeld tot betaling van de volledige Vordering, aan BioMCN te betalen:
(a) een bedrag van € 1.801.702,74, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over de aan het toegewezen bedrag ten grondslag liggende factuurbedragen, met de volgende ingangsdata:
[factuur] : 6 februari 2025;
[factuur] : 8 maart 2025;
[factuur] : 4 april 2025;
[factuur] : 4 april 2025;
[factuur] : 3 mei 2025,
tekens tot de dag van volledige betaling;
(b) een bedrag van € 6.775,00 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
veroordeelt ChemCom in de proceskosten van € 57.185,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als ChemCom niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt ChemCom tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Kremer en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
524 / MvdH

Voetnoten

1.zie ook: Hoge Raad 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, r.o. 4.1.3
2.zie: (conclusie A-G bij) Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1185, en F.J.P. Lock, 'De verdeling van stelplicht en bewijslast bij de (negatieve) verklaring voor recht', TvPP 2019, afl. 3,
3.zie: Hoge Raad 13 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1405, r.o. 3.6