Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2335

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
25/1887, 25/1888, 25/1889 en 25/1890
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.6 WooArt. 6 EVRMArt. 8:72 lid 6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluiten minister wegens misbruik van recht en toekenning schadevergoeding wegens termijnoverschrijding

Eiser heeft vier verzoeken ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo). De minister stelde deze deels buiten behandeling wegens vermeend misbruik van recht en wees de bezwaren van eiser af. Eiser ging in beroep tegen deze besluiten.

Tijdens de procedure handhaafde de minister zijn standpunt niet langer, waardoor de rechtbank de beroepen gegrond verklaarde en de besluiten vernietigde. De rechtbank beval de minister binnen acht weken opnieuw te beslissen op de bezwaren.

Eiser verzocht tevens om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat in drie zaken de termijn nog niet was verstreken, maar in één zaak was de termijn met ruim vijf maanden overschreden. Daarom werd een forfaitaire vergoeding van € 500,- toegekend.

Het verzoek om een rechterlijke dwangsom te verbinden aan de nadere beslistermijn werd afgewezen, omdat de minister naar verwachting tijdig zal beslissen. De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van het griffierecht aan eiser.

De uitspraak werd gedaan door rechter A.G.D. Overmars op 28 mei 2026.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de besluiten van de minister wegens misbruik van recht, kent een schadevergoeding toe wegens termijnoverschrijding en wijst het dwangsomverzoek af.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 25/1887, 25/1888, 25/1889 en 25/1890

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 mei 2026 in de zaken tussen

[naam], uit [woonplaats], eiser

en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de minister

(gemachtigden: mr. K.K.K. Marhe en I.M. Daniël).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het (alsnog) buiten behandeling stellen van een viertal verzoeken van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. In beroep handhaaft de minister zijn standpunt niet langer, hetgeen ertoe leidt dat een uitvoerige bespreking van de beroepsgronden achterwege kan blijven. De rechtbank beoordeelt wel eisers verzoek om schadevergoeding en zijn verzoek om een rechterlijke dwangsom te verbinden aan de uitspraak.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen gegrond zijn
.Eiser krijgt gelijk en de besluiten van de minister worden vernietigd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft vier verzoeken tot openbaarmaking van informatie in het kader van de Wet open overheid (Woo) gedaan. De minister heeft deze verzoeken gedeeltelijk inhoudelijk behandeld en gedeeltelijk buiten behandeling gesteld op grond van artikel 4.6 van de Woo. Met de bestreden besluiten van 6 mei 2025 heeft de minister de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en met betrekking tot de vier verzoeken (alsnog) misbruik van recht aangenomen.
2.1.
Eiser heeft afzonderlijk beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
Op 17 april 2026 heeft de minister verzocht om de beroepen aan te houden. De rechtbank heeft dit verzoek op 21 april 2026 afgewezen.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 29 april 2026 gevoegd ter zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van de minister. Eiser heeft zich van tevoren afgemeld voor de zitting. Het onderzoek ter zitting is gesloten.
2.4.
Op 11 mei 2026 heeft eiser een aanvulling op zijn beroepsgronden ingediend. Nu het onderzoek ter zitting reeds op 29 april 2026 is gesloten heeft de rechtbank dit stuk niet betrokken bij de beoordeling van het beroep.

Beoordeling door de rechtbank

Misbruik van recht
3. De minister heeft in bezwaar met betrekking tot de vier Woo-verzoeken van eiser toepassing gegeven aan artikel 4.6 van de Woo, omdat hij meende dat eiser deze verzoeken heeft ingediend met een ander doel dan het verkrijgen van publieke informatie.
3.1.
Naar aanleiding van het bericht van 17 april 2026 alsmede hetgeen ter zitting is besproken stelt de rechtbank vast dat de minister zijn standpunt niet langer handhaaft en reden ziet om de bestreden besluiten te herzien. Reeds hierom zijn de beroepen gegrond. De inhoudelijke beroepsgronden behoeven hierom geen bespreking.
Overschrijding van de redelijke termijn
4. Eiser verzoekt de rechtbank om een schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het EVRM. [1] Volgens de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) wordt bij overschrijding van deze termijn verondersteld dat daadwerkelijk (immateriële) schade is geleden in de vorm van spanning en frustratie. [2] De redelijke termijn vangt in eerste aanleg aan op het moment dat het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt en verstrijkt in principe na twee jaar. [3] Binnen deze twee jaar mag de behandeling van het bezwaar een half jaar duren en de behandeling van het beroep anderhalf jaar.
4.1.
De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van twee jaar in de zaken met nummers LEE 25/1887, LEE 25/1889 en LEE 25/1890 nog niet is verstreken. De bezwaarschriften zijn namelijk door de minister ontvangen op respectievelijk 23 december 2024, 8 januari 2025 en 5 februari 2025. Eiser heeft hierom geen recht op een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in deze procedures.
4.2.
De rechtbank vast dat de minister het bezwaarschrift tegen het eerst genomen deelbesluit van 9 november 2023 in de zaak met nummer LEE 25/1888 heeft ontvangen op 12 december 2023. Onderhavige uitspraak wordt gedaan op 28 mei 2026. Zodoende is de redelijke termijn van twee jaar met ruim vijf maanden overschreden. Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,- per half jaar waarmee de termijn wordt overschreden bedraagt de aan eiser toe te kennen vergoeding € 500,-.
4.3.
Aangezien het beroepschrift dateert van 20 mei 2025 is er een jaar verstreken gedurende de rechterlijke fase. Tussen het indienen van het (eerste) bezwaarschrift en het besluit op bezwaar van 6 mei 2025 zijn zeventien maanden verstreken. Zodoende heeft de overschrijding van de redelijke termijn hoofdzakelijk plaatsgevonden in de bezwaarfase. Gelet op het voorgaande veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de immateriële schade aan eiser van € 500,-.
Rechterlijke dwangsom
5. Eiser meent dat sprake is van dusdanige vertraging dat aan de vernietiging van de bestreden besluiten en het opleggen van een nadere beslistermijn een rechterlijke dwangsom verbonden dient te worden. Daarom verzoekt hij om een rechterlijke dwangsom vast te stellen ter hoogte van € 250,- met een maximum van € 37.500,-.
5.1.
Ingevolge artikel 8:72, zesde lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank bepalen dat, indien of zolang het bestuursorgaan niet voldoet aan een uitspraak, het bestuursorgaan aan een door hem aangewezen partij een in de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt. Bij het gebruik van deze bevoegdheid komt aan de rechtbank een grote mate van vrijheid toe. Nu echter de termijn waarbinnen de minister opnieuw dient te beslissen ter zitting is besproken ziet de rechtbank geen aanknopingspunten die erop wijzen dat de minister deze termijn niet in acht zal (kunnen) nemen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om gebruik te maken van haar bevoegdheid om een dwangsom te verbinden aan de nakoming van haar uitspraak.

Conclusie en gevolgen

6. De beroepen zijn gegrond. Eiser krijgt dus gelijk en de rechtbank vernietigt de vier besluiten op bezwaar van 6 mei 2025. Gelet op hetgeen ter zitting is besproken moet de minister binnen acht weken na dagtekening van deze uitspraak opnieuw beslissen op de bezwaren van eiser.
6.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft verzocht om vergoeding zijn proceskosten, te weten zijn reiskosten voor het bijwonen van de zitting. Nu eiser niet aanwezig is geweest op zitting, zijn in beroep geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Eiser heeft de rechtbank daarnaast verzocht om de proceskosten in bezwaar alsnog vast te stellen. Nu de minister nieuwe besluiten op de bezwaren van eiser zal moeten nemen dient hij ook op dit punt alsnog te beslissen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 6 mei 2025;
- draagt de minister op om binnen een termijn van acht weken na dagtekening van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot vergoeding van de immateriële schade aan eiser van € 500,-;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 776,- (4x € 194,-) aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van V.M. de Koning, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6342 (r.o. 6).
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:758 en de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2954.