Uitspraak
1.WESTERSINGEL BAR B.V.,
2.
[eiser sub 2],
Rechtbank Noord-Nederland
Westersingel bar B.V. en een medehuurder vorderden dat zij gemachtigd werden om een derde partij in de plaats te stellen van een van de huurders op de huurovereenkomst van een bedrijfsruimte in Groningen. Deze ruimte werd gebruikt voor de exploitatie van de Westersingelbar. De burgemeester had vergunningen ingetrokken vanwege slecht levensgedrag van de huurder, wat leidde tot een last onder bestuursdwang en het staken van de exploitatie.
De huurder had zijn aandelen in de exploitatiemaatschappij verkocht aan een derde, die vervolgens de indeplaatsstelling wilde verkrijgen. De verhuurder weigerde medewerking, waarna een kortgeding en een bodemprocedure volgden. De kantonrechter oordeelde dat alleen de huurder die de onderneming overdraagt een vordering tot indeplaatsstelling kan instellen en dat de medehuurder geen belang had bij de machtiging.
De kantonrechter stelde dat het vereiste zwaarwichtig belang ontbrak omdat de onderneming al was overgedragen en de belangen van de voorgestelde huurder niet meewegen. Ook bood de voorgestelde huurder onvoldoende waarborgen voor nakoming van de huurovereenkomst. De vordering werd daarom afgewezen en de eisers werden veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot indeplaatsstelling wordt afgewezen wegens ontbreken van een zwaarwichtig belang en onvoldoende waarborgen van de voorgestelde huurder.