Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:2103

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
24/4938
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2.1 WlzArt. 2.2 RlzArt. 5.1 RlzArt. 5.1a RlzArt. 5.22 Rlz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit zorgkantoor over meerzorg op grond van Wet langdurige zorg

Eiseres, een jongvolwassene met een ernstige verstandelijke beperking en autisme, woont thuis en ontvangt een persoonsgebonden budget (pgb) met meerzorg. Haar ouders hebben namens haar een verhoging van de meerzorg aangevraagd om haar zorg in een eigen huis mogelijk te maken. Het zorgkantoor kende minder uren toe dan gevraagd en verlaagde het uurtarief voor informele zorgverleners, wat tot bezwaar en beroep leidde.

De rechtbank oordeelt dat het zorgkantoor geen toetsbare vergelijking heeft gemaakt tussen de vastgestelde zorgbehoefte van eiseres en de zorg die ten grondslag ligt aan het geïndiceerde zorgprofiel VG7. De zorgbehoefte is vastgesteld op 80 uur per week, maar het zorgkantoor kon niet aantonen welke zorguren het zorgprofiel omvat. Hierdoor kan het besluit niet in stand blijven.

Daarnaast mocht het zorgkantoor het uurtarief voor de moeder en zus van eiseres niet verlagen, omdat eiseres onder het overgangsrecht valt en het zorgkantoor geen wettelijke grondslag had voor deze verlaging. Ook is het uitgangspunt dat zorg thuis niet duurder mag zijn dan in een instelling niet toepasbaar, omdat geen passende plek beschikbaar is.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt het zorgkantoor op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt het zorgkantoor veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het zorgkantoor vernietigd wegens het ontbreken van een toetsbare vergelijking en onrechtmatige verlaging van het uurtarief.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4938

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen

[naam 1] , eiseres,

wettelijk vertegenwoordigd door [naam 2] en [naam 3] , uit [plaats]
(gemachtigde: mr. M.M.G. Jurkiewicz),
en

Zilveren Kruis Zorgkantoor N.V., het zorgkantoor

(gemachtigde: mr. T. Olaniyi).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres, gericht tegen de toekenning van meerzorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). De ouders van eiseres, die haar vertegenwoordigen in deze procedure, zijn het niet eens met het besluit omdat het toegekende meerzorgbudget volgens hen niet voldoende is. Er zijn volgens hen te weinig uren vergoed en bovendien heeft het zorgkantoor volgens hen ten onrechte de uurtarieven voor de informele zorg verlaagd.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van het zorgkantoor tot toekenning van meerzorg niet in stand kan blijven, omdat het zorgkantoor geen toetsbare vergelijking heeft gemaakt tussen de zorgbehoefte van eiseres en de zorg die ten grondslag ligt aan het zorgprofiel VG7 en het zorgkantoor daarnaast het uurtarief ten onrechte heeft verlaagd. Om die reden kan het besluit van het zorgkantoor niet in stand blijven en is het beroep gegrond.

Procesverloop

1. De ouders van eiseres hebben namens haar meerzorg op grond van de Wlz aangevraagd.
1.1
Het Zorgkantoor heeft die meerzorg bij besluit van 27 maart 2024 toegekend.
1.2
Met het besluit van 14 november 2024 (het bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar van eiseres tegen de hoogte van de toegekende meerzorg ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4.
Het Zorgkantoor heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
Eiseres heeft een aanvullend beroepschrift ingediend.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de ouders van eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het zorgkantoor deelgenomen.

Wettelijk kader

2. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres, geboren op 20 juli 2004, heeft een ernstige verstandelijke beperking en autisme. Als gevolg daarvan is zij volledig afhankelijk van intensieve zorg en begeleiding bij haar persoonlijke verzorging en zelfredzaamheid. Zij is geïndiceerd voor het zorgprofiel (besloten) wonen met zeer intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering (VG7). Eiseres staat op de wachtlijst van een aantal zorginstellingen en woont momenteel bij haar ouders. Zij krijgt een persoonsgebonden budget (pgb) met meerzorg voor de zorg die wordt verleend door haar moeder en zus en door de professionele zorgverleners van ZOL-zorg.
3.1.
Op 11 februari 2024 hebben de ouders van eiseres namens haar een verhoging van de toeslag meerzorg aangevraagd, omdat zij graag willen dat eiseres vier dagen en drie nachten per week in een eigen huis gaat wonen. De aanvraag is gedaan voor een vergoeding van 130 uren zorg en begeleiding per week.
3.2.
Met het primaire besluit van 27 maart 2024 heeft het zorgkantoor meerzorg toegekend voor de periode van 1 april 2024 tot en met 31 maart 2027. Volgens het zorgkantoor heeft eiseres recht op zorg en begeleiding over 98 uur per week. Het zorgkantoor heeft voor de informele zorgverleners (de moeder en zus van eiseres) een uurtarief van € 24,44 gehanteerd. Dat tarief is lager dan het tarief dat zij eerder ontvingen.
3.3.
Met de toekenningsbeslissing van 6 april 2024 heeft het zorgkantoor het pgb, inclusief meerzorg, voor de periode van 1 april 2024 tot en met 31 december 2024 vastgesteld op € 152.424,02.
Het toetsingskader
3.4.
Uit de toepasselijke regelgeving [1] voor meerzorg en de wetsgeschiedenis van deze bepalingen [2] kan worden opgemaakt dat een verzekerde aanspraak heeft op meer zorg dan de zorg die hoort bij het voor de verzekerde best passende zorgprofiel als zijn zorgbehoefte minimaal 25% hoger is dan de zorg die is opgenomen in dit zorgprofiel. Of een verzekerde hiervoor in aanmerking komt is ter beoordeling van het zorgkantoor.
3.5.
Een belangrijke vraag is hoe een zorgkantoor een dergelijke beoordeling moet maken. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft hierover in een recente uitspraak geoordeeld dat dit niet duidelijk blijkt uit de wet- en regelgeving. [3] De CRvB heeft in deze uitspraak aanleiding gezien om, totdat de wetgever meer duidelijkheid heeft gegeven, uit te gaan van een toetsbare vergelijking in uren.
3.6.
Concreet betekent dit dat het zorgkantoor bij de beoordeling van een verzoek om meerzorg moet bepalen welke Wlz-zorg naar aard en omvang, in uren, op medische gronden voor betrokkene nodig is. Vervolgens moet het zorgkantoor een gekwantificeerde en toetsbare vergelijking maken van de op die manier vastgestelde zorgbehoefte van betrokkene met de zorg die ten grondslag ligt aan het voor betrokkene geïndiceerde zorgprofiel, ook naar aard en omvang, uitgedrukt in uren. Vervolgens moet het zorgkantoor aan de hand van deze vergelijking bepalen of, en zo ja, onder welke noemer en met welk bedrag het pgb van betrokkene in verband hiermee moet worden verhoogd.
Is de zorgbehoefte van eiseres juist vastgesteld?
3.7.
In het primaire besluit heeft het zorgkantoor de zorgbehoefte van eiseres vastgesteld op 98 uur per week. Volgens het zorgkantoor heeft eiseres 12 uur en 20 minuten per dag zorg nodig. Dit is afgerond 88 uur per week. Voor het inwerken van de zorgverleners van ZOL heeft het zorgkantoor daarnaast 10 uur per week toegekend, zodat er in totaal 98 uur per week aan zorg kan worden vergoed. Dit aantal uren is in het primaire besluit niet onderbouwd. In bezwaar heeft het zorgkantoor zijn besluit gehandhaafd en is een advies overgelegd van zijn zorginhoudelijk adviseur Wlz. Volgens deze adviseur heeft eiseres per week behoefte aan 38 uur verzorging en 42 uur begeleiding. De totale zorgbehoefte is daarmee volgens deze adviseur 80 uur per week. De adviseur heeft hierbij vastgesteld welke zorghandelingen nodig zijn, welke frequentie voor de handelingen geldt en hoeveel tijd dat per handeling kost. Er kan volgens de adviseur geen budget worden toegekend voor toezicht.
3.8.
De ouders van eiseres kunnen zich niet vinden in de conclusies van de zorginhoudelijk adviseur. Zij stellen dat eiseres doorlopend begeleiding en toezicht nodig heeft. Uitgaande van een zorgbehoefte van 80 uur per week kan over ruim 11 uur per dag zorg worden ingekocht, terwijl eiseres overdag al 14,5 uur wakker is. Bovendien bestaat er volgens hen ook in de nacht behoefte aan zorg die het standaard toezicht overstijgt. Volgens hen moet er gedurende de nachten telkens iemand aanwezig zijn om te voorkomen dat er een (levens)bedreigende situatie ontstaat. Met het toegekende pgb kan deze 24-uurszorg niet worden bekostigd. Daarom vinden zij dat het toegekende budget te laag is.
3.9.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat het zorgkantoor de zorgbehoefte van eiseres onjuist heeft vastgesteld. Het zorgkantoor heeft zich bij het bepalen van die behoefte laten adviseren door zijn zorginhoudelijk adviseur, die navolgbaar heeft gemotiveerd dat de totale zorgbehoefte 80 uur per week is. De ouders van eiseres hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit advies niet klopt en dat zij op medische gronden meer zorg nodig heeft. Hun stelling dat eiseres in de nacht behoefte heeft aan zorg die het standaard toezicht overstijgt hebben zij niet onderbouwd. Het is de rechtbank niet gebleken dat zich (levens)bedreigende situaties zullen voordoen als er niet onafgebroken toezicht wordt gehouden op eiseres, terwijl dit op grond van het Beleidskader Meerzorg pgb 2024 wel nodig is om meerzorg voor toezicht toe te kennen. [4]
Welke zorg ligt ten grondslag aan zorgprofiel VG7?
3.10.
De volgende vraag is of het zorgkantoor juist heeft vastgesteld welke zorg ten grondslag ligt aan het voor eiseres geïndiceerde zorgprofiel VG7, naar aard en omvang, uitgedrukt in uren. In de dossierstukken is het zorgkantoor met name ingegaan op de bedragen die op grond van zorgprofiel VG7 vergoed kunnen worden. Op de zitting heeft het zorgkantoor gesteld dat uit een overzicht van de meerzorgprofielen [5] blijkt dat er op basis van zorgprofiel VG7 recht bestaat op 33,75 uur zorg per week. Dit overzicht van de meerzorgprofielen biedt naar het oordeel van de rechtbank echter geen duidelijkheid over de omvang van de zorg die ten grondslag ligt aan zorgprofiel VG7. Het door het zorgkantoor genoemde aantal uren is op dit overzicht namelijk niet zichtbaar. Het zorgkantoor heeft bovendien niets gesteld over de aard van de zorg die ten grondslag ligt aan dit zorgprofiel. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het zorgkantoor dan ook niet juist vastgesteld welke zorg ten grondslag ligt aan zorgprofiel VG7.
Tussenconclusie: Er is geen toetsbare vergelijking gemaakt
3.11.
Het zorgkantoor heeft – gelet op het bovenstaande – in het bestreden besluit geen toetsbare vergelijking gemaakt tussen de zorgbehoefte van eiseres en de zorg die ten grondslag ligt aan zorgprofiel VG7. Om die reden kan het besluit van het zorgkantoor niet in stand blijven en is het beroep gegrond. Het zorgkantoor moet een nieuw besluit nemen, waarbij alsnog een toetsbare vergelijking wordt gemaakt en waarbij het zorgkantoor het volgende in acht moet nemen.
Welke kosten worden gedekt door meerzorg?
3.12.
Een van de geschilpunten in deze zaak is verder de vraag welke kosten wel en welke niet worden gedekt door meerzorg. Het zorgkantoor heeft hierover gesteld dat het bij de beoordeling van de aanvraag voor meerzorg in de thuissituatie moet uitgaan van de situatie dat eiseres in een voor haar passende instelling zou zijn opgenomen. De zorg thuis mag daarbij niet duurder zijn dan de zorg in een passende instelling. Om de ondoelmatigheid van de zorg thuis te compenseren, is de regeling Extra Kosten Thuis (EKT) in het leven geroepen, die voorziet in een toeslag van maximaal 25% op het basisbedrag. [6] Hiervoor kan geen meerzorg worden toegekend volgens het zorgkantoor.
3.13.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het uitgangspunt dat de zorg thuis niet duurder mag zijn dan de zorg in een passende instelling in deze zaak niet aan eiseres worden tegengeworpen, omdat haar ouders meermaals hebben gesteld dat voor haar vanwege haar complexe zorgbehoefte geen plek in een instelling beschikbaar is. Het zorgkantoor heeft voor het eerst op de zitting aangevoerd dat er nog geen bemiddeling door het zorgkantoor heeft plaatsgevonden en dat dit mogelijk wel tot een plaatsing in een passende instelling kan leiden, maar hieruit kan niet worden afgeleid dat er daadwerkelijk een passende plek voor eiseres beschikbaar is. Het enkele feit dat de zorgkosten voor eiseres thuis hoger zijn dan in een instelling, brengt dus niet met zich dat de zorg thuis ondoelmatig wordt verleend en niet voor (volledige) vergoeding in aanmerking komt. Het zorgkantoor mag de hoogte van de meerzorg in het te nemen nieuwe besluit dus niet maximeren op de kosten van zorg in een passende instelling.
Mocht het zorgkantoor het uurtarief voor de moeder en zus van eiseres verlagen?
4. Tussen partijen is ook in geschil of het zorgkantoor het uurtarief voor de informele zorgverleners (de moeder en de zus van eiseres) mocht verlagen. In de aanvraag voor de meerzorg is voor de moeder een uurtarief van € 45,00 gehanteerd en voor de zus een tarief van € 27,50. Deze tarieven golden voor hen eerder ook. In het bestreden besluit is voor beiden een tarief van € 24,44 gehanteerd.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres onder het overgangsrecht van artikel 5.22, tweede lid, aanhef en onder b, van de Regeling langdurige zorg (Rlz) valt en dat er om die reden een hoger tarief kan worden gehanteerd dan het tarief dat door het zorgkantoor is vastgesteld. Volgens eiseres is de verlaging van het uurtarief naar € 24,44 dan ook in strijd met dit overgangsrecht.
4.2.
Het zorgkantoor stelt dat het het uurtarief wel mocht verlagen naar € 24,44, omdat het hogere tarief niet doelmatig is. Volgens het zorgkantoor moet de doelmatigheid worden getoetst, omdat eiseres met het reguliere budget niet uitkomt en meerzorg nodig heeft. Dit vraagt om een integrale afweging van de redelijkheid van de noodzakelijke kosten om de Wlz-zorg thuis verantwoord te organiseren. Deze afweging kan met zich brengen dat de tarieven worden verlaagd om het pgb doelmatiger in te zetten. Volgens het zorgkantoor moet bij de beoordeling van de meerzorgaanvraag de doelmatigheid van het gehele pgb, dus ook het reguliere budget, aan de orde komen. Daarbij is van belang dat de hogere tarieven die onder het overgangsrecht gelden maximumtarieven zijn, die niet per definitie gehanteerd hoeven te worden.
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank is er geen wettelijke grondslag voor het standpunt van het zorgkantoor dat bij de beoordeling van de meerzorgaanvraag de doelmatigheid van het gehele pgb, waaronder het reguliere budget, moet worden beoordeeld. [7] Het zorgkantoor had dan ook geen grondslag om het uurtarief voor de moeder en zus van eiseres te verlagen voor het pgb dat vanuit de VG7-indicatie beschikbaar is, omdat eiseres onder het overgangsrecht valt en bij het reguliere budget de doelmatigheid niet wordt getoetst.
4.4.
De volgende vraag is of het zorgkantoor het uurtarief mocht verlagen voor het pgb dat vanuit de meerzorg toegekend is. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Het zorgkantoor heeft namelijk niet gesteld of en zo ja, welk deel van de informele zorg die door de moeder en zus van eiseres wordt geleverd uit de meerzorg wordt bekostigd. Ook heeft het zorgkantoor niet gesteld met ingang van welke datum aan eiseres meerzorg is toegekend, zodat de rechtbank niet kan vaststellen of eiseres ook ten aanzien van de meerzorg onder het overgangsrecht valt. Bovendien heeft het zorgkantoor het uurtarief niet stapsgewijs gedurende een overgangsperiode afgebouwd, wat gelet op het financiële effect van die verlaging wel voor de hand lag, maar heeft het het tarief ten onrechte ineens verlaagd naar € 24,44. Het tarief voor de moeder van eiseres is daarmee bijna gehalveerd.
4.5.
Het standpunt van het zorgkantoor dat in artikel 5.22 van de Rlz maximumtarieven zijn genoemd die niet per definitie gehanteerd hoeven te worden treft geen doel, omdat de door de moeder en zus van eiseres gehanteerde tarieven ruimschoots onder de vastgestelde maximale tarieven liggen.
4.6.
Gelet op bovenstaande had het zorgkantoor naar het oordeel van de rechtbank geen grondslag om het uurtarief van de moeder en de zus van eiseres te verlagen naar € 24,44. Het bestreden besluit kan ook om die reden niet in stand blijven.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Zij ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat zij onvoldoende gegevens heeft om vast te stellen wat de omvang van de zorg is die ten grondslag ligt aan zorgprofiel VG7, zodat zij geen toetsbare vergelijking kan maken met de zorgbehoefte van eiseres. Het zorgkantoor zal daarom een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
5.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, moet het zorgkantoor het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,00 aan haar vergoeden.
5.2.
De rechtbank veroordeelt het zorgkantoor in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,00. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,00. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank :
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het zorgkantoor op om binnen zes weken na de toezending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt het zorgkantoor op het betaalde griffierecht van € 51,00 aan eiseres te voldoen;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mr. C.H. de Groot en
mr. B. Veenema, leden, in aanwezigheid van M. Lammerts-Rannenburg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet langdurige zorg
Artikel 3.2.1, eerste lid
Een verzekerde heeft recht op zorg die op zijn behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden is afgestemd voor zover hij naar aard, inhoud en omvang en uit een oogpunt van doelmatige zorgverlening redelijkerwijs op die zorg is aangewezen (…)
Besluit langdurige zorg
Artikel 3.1.1
1. De verzekerde die is aangewezen op zorg, heeft recht op samenhangende zorg behorende bij het bij de verzekerde best passende zorgprofiel. Bij ministeriële regeling worden zorgprofielen vastgesteld.
2. De verzekerde heeft recht op meer zorg dan waarop hij op grond van het eerste lid recht heeft, voor zover meer zorg nodig is om te voorzien in zijn behoefte aan zorg.
3. De aard, inhoud en de omvang van de zorg worden mede bepaald door de stand van de wetenschap en praktijk en, bij het ontbreken van een zodanige maatstaf, door hetgeen in het betrokken vakgebied geldt als verantwoorde en adequate zorg en diensten.
4. Het recht op zorg kan nader worden geregeld bij ministeriële regeling. Aan het recht op zorg, met inbegrip van het recht op meer zorg, bedoeld in het tweede lid, kunnen bij ministeriële regeling voorwaarden en beperkingen worden gesteld. Deze beperkingen kunnen mede betrekking hebben op gebruikelijke zorg en algemeen gebruikelijke voorzieningen.
Regeling langdurige zorg
Artikel 2.2
1. Een verzekerde heeft recht op meer zorg dan waarop hij op grond van het hem geïndiceerde zorgprofiel of zorgzwaartepakket recht heeft, voor zover naar het oordeel van de Wlz-uitvoerder of het zorgkantoor meer zorg nodig is om te voorzien in zijn behoefte aan zorg en:
a. de verzekerde krachtens zijn indicatiebesluit is aangewezen op zorgprofiel:
(…)
- VG (Besloten) wonen met zeer intensieve begeleiding, verzorging en gedragsregulering,
(…)
3. Een verzekerde als bedoeld in het eerste lid, onder a of b, of tweede lid, onder a, kan slechts recht op de in die leden bedoelde zorg krijgen indien zijn behoefte aan zorg minimaal 25% hoger is dan de zorg die is opgenomen in het zorgzwaartepakket dat voor de bekostiging van het zorgprofiel wordt gebruikt dan wel van het zorgprofiel.
Artikel 5.1
1. Een (…) persoonsgebonden budget (…) kan slechts worden toegekend indien de zorg op een verantwoorde en doelmatige wijze ten huize van de verzekerde kan worden geleverd.
2. Voor het persoonsgebonden budget is het basisbedrag, genoemd in bijlage H, beschikbaar, verminderd met de kosten van het modulair pakket thuis voor huishoudelijke hulp, persoonlijke verzorging, verpleging, logeeropvang, individuele begeleiding en begeleiding in groepsverband en vervoer.
(…)
Artikel 5.1a
Alvorens de (…)verlening van een persoonsgebonden budget te weigeren op de grond dat het niet op doelmatige wijze ten huize van de verzekerde kan worden geleverd, en nadat daarover overleg is gevoerd met de verzekerde, beoordeelt de Wlz-uitvoerder of het zorgkantoor deze weigering wegens ondoelmatigheid kan worden vermeden door verhoging van het basisbedrag met ten hoogste 25%.
Artikel 5.1e
(…)
2. Het zorgkantoor kan op verzoek van de verzekerde een aanvraag voor meerzorg als bedoeld in artikel 2.2 starten, indien de verzekerde een zorgbehoefte heeft waarvan de kosten het bedrag overstijgen dat beschikbaar is na toepassing van de artikelen 5.1 tot en met 5.1d en de verzekerde voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.2, eerste of tweede lid.
(…)
4. Het zorgkantoor kan onder daarbij te stellen voorwaarden in het voordeel van de verzekerde afwijken van de bedragen genoemd in bijlage H indien de verzekerde naar het oordeel van het zorgkantoor aanspraak heeft op meer zorg als bedoeld in artikel 2.2 van deze regeling.
Artikel 5.22
1. Het uit het persoonsgebonden budget te betalen bruto loon of de te betalen vergoeding aan een zorgaanbieder bedraagt ten hoogste € 24,44 per uur, tenzij de verzekerde kan aantonen dat de zorg is verleend door:
(…)
2. In afwijking van het eerste lid wordt een bruto uurloon dan wel vergoeding van ten hoogste € 77 per uur of € 70,88 per dagdeel gehanteerd of een bruto loon dan wel vergoeding van ten hoogste het door de zorgautoriteit op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg voor de desbetreffende zorg vastgestelde hoger tarief, indien:
(…)
b. een verzekerde voor 1 januari 2014 een persoonsgebonden budget ontving als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten en onafgebroken een persoonsgebonden budget als bedoeld in de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de wet heeft ontvangen.
(…)

Voetnoten

1.Artikel 3.1.1, tweede lid, van het Besluit langdurige zorg (Blz), in samenhang gelezen met artikel 2.2, tweede en derde lid, van de Regeling langdurige zorg (Rlz) en artikel 5.1e, tweede lid, van de Rlz.
2.Zie de toelichting bij artikel 2.2 van de Rlz, Staatscourant 2014, nr. 36917, 24 december 2014, blz. 68, en de toelichting bij artikel 5.1e van de Rlz, Staatscourant 2019, nr. 70431, 27 december 2019, blz. 22.
3.CRvB 22 oktober 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1517, r.o. 4.7.1 tot en met 4.8.2.
4.Op grond van het Beleidskader Meerzorg pgb 2024 kan alleen meerzorg worden toegekend voor toezicht als sprake is van een noodzaak tot onafgebroken toezicht en actieve observatie, omdat ingrijpen noodzakelijk is, het ingrijpen onmiddellijk moet gebeuren en zonder het tijdig ingrijpen zich een escalatie van (levens)bedreigende situaties voordoet voor de gezondheid van de cliënt. Het ingrijpen moet daarbij bestaan uit verpleegkundige zorghandelingen of zorghandelingen op het gebied van extreme gedragsproblemen.
5.Dat als productie 22 is ingediend bij het verweerschrift.
6.Zie Artikel 5.1a van de Rlz.
7.Vergelijk Rechtbank Overijssel 7 juni 2023, ECLI:NL:RBOVE:2023:2105, en Rechtbank Midden Nederland 4 april 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:3936.