ECLI:NL:RBNNE:2026:2097

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
AWB_LEE 24/57
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Besluit proceskosten bestuursrechtWet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPMArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling kostenvergoeding rechtsbijstand bezwaarfase WOZ-waarde en proceskosten beroepsfase

In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om de vaststelling van de kostenvergoeding voor rechtsbijstand in de bezwaarfase tegen een WOZ-waardebeschikking voor het belastingjaar 2023. De heffingsambtenaar had een wegingsfactor van 0,5 toegepast, wat eiser betwistte en een factor 1,0 vorderde. De rechtbank constateert dat partijen inmiddels overeenstemming hebben bereikt over de wegingsfactor 0,5.

De rechtbank past het tarief van €666 per punt toe, conform een eerder arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, en stelt de forfaitaire vergoeding voor de bezwaarfase vast op €666 (2 punten x €666 x 0,5). Daarnaast worden de proceskosten voor de beroepsfase vastgesteld op €467 (1 punt x €934 x 0,5), omdat ook voor de beroepsfase een wegingsfactor 0,5 passend wordt geacht.

De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd voor zover deze de forfaitaire kostenvergoeding betreft. De heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot nabetaling van €370 voor de bezwaarfase en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €50. De rechtbank wijst erop dat hoger beroep mogelijk is bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

De zaak betreft een inhoudelijk geschil over de juiste toepassing van de wegingsfactor bij de proceskostenvergoeding, waarbij de rechtbank zorgvuldig onderscheid maakt tussen de bezwaarfase en beroepsfase en de toepasselijke wettelijke regelingen en jurisprudentie toepast.

Uitkomst: De rechtbank stelt de kostenvergoeding voor rechtsbijstand in de bezwaarfase vast op €666 en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten beroepsfase van €467 en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/57

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.W.B. van Middelaar ),
en

de heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Groningen, de heffingsambtenaar.

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 16 november 2023.
1.2.
De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak aan [adres] per 1 januari 2022 voor het belastingjaar 2023 vastgesteld in een waardebeschikking. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van eiser in de uitspraak op bezwaar gegrond verklaard en daarbij de waardebeschikking geheel vernietigd in verband met een onjuiste objectafbakening.
1.3.
Partijen hebben diverse nadere stukken ingediend.
1.4.
Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting achterwege gebleven.

Feiten

2. In de uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) aan eiser een kostenvergoeding voor rechtsbijstand en voor kosten van een deskundigenrapport toegekend. Voor de forfaitaire vergoeding voor rechtsbijstand is hij daarbij uitgegaan van twee proceshandelingen (2 punten) met een waarde per punt van € 296, met toepassing van een wegingsfactor 0,5, in totaal dus € 296.

Beoordeling door de rechtbank

3.1.
In de beroepsfase beperkt het geschil zich tot de vraag of de proceskosten van rechtsbijstand voor de bezwaarfase naar het juiste bedrag zijn vastgesteld, en dan met name of de heffingsambtenaar wegingsfactor 0,5 mocht toepassen.
3.2.
In zijn beroepschrift stelt eiser dat de wegingsfactor 1,0 moet zijn. De heffingsambtenaar houdt in zijn verweerschrift vast aan de gehanteerde wegingsfactor 0,5.
Vooraf
4. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde en de heffingsambtenaar bij de rechtbank verschillende stukken hebben ingediend waarin het zaaknummer van deze zaak is genoemd samen met de zaaknummers van drie andere zaken. Die stukken betreffen:
- één van twee brieven van 22 december 2025 afkomstig van de gemachtigde, en
- de brief van de heffingsambtenaar van 27 januari 2026.
In de drie andere zaken ziet het geschil op de waardebeschikking voor het belastingjaar 2024. Het geschilpunt is in die zaken steeds exact hetzelfde, maar anders dan het geschilpunt in deze zaak. Gelet op de inhoud van de brieven stelt de rechtbank vast dat deze alleen betrekking kunnen hebben op de drie andere zaken over het belastingjaar 2024 en niet op de onderhavige zaak over het belastingjaar 2023. De rechtbank laat die correspondentie voor wat betreft deze zaak daarom beschouwing.
Puntwaarde in de bezwaarfase
5. Eiser verwijst in zijn brief van 22 december 2025 naar de uitspraak van deze rechtbank van 9 januari 2025 in de zaak met nummer LEE 23/4760 [1] . Eiser verzoekt de rechtbank uitspraak te doen in lijn met die uitspraak.
6. De rechtbank overweegt dat zij in de betreffende uitspraak (in de zaak met nummer LEE 23/4760) onder meer de puntwaarde voor de bezwaarfase heeft gecorrigeerd naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024 [2] . De rechtbank overweegt dat eiser door zijn verzoek (zie punt 5) dit standpunt ook inneemt in de onderhavige zaak. Dat betekent dat de puntwaarde in bezwaar moet worden verhoogd. De rechtbank moet daarbij het voor 2026 geldende tarief van € 666 toepassen.
Toegepaste wegingsfactor voor de bezwaarfase
7. In de uitspraak in de zaak met nummer LEE 23/4760 heeft de rechtbank voor de bezwaarfase een wegingsfactor van 0,5 in aanmerking genomen. Eiser heeft bovendien in zijn brief van 16 maart 2026 in algemene zin opgemerkt dat voor de zwaarte van deze zaak de wegingsfactor 0,5 meer passend is dan de wegingsfactor 1,0. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiser is teruggekomen op zijn eerdere standpunt en nu verdedigt dat de wegingsfactor 0,5 is.
8. De rechtbank stelt vervolgens vast dat er tussen partijen geen geschil meer bestaat over de te hanteren wegingsfactor in de bezwaarfase. De rechtbank stelt die wegingsfactor daarom vast op 0,5. De rechtbank zal de forfaitaire vergoeding voor de bezwaarfase dan ook vaststellen op € 666 (2 punten à € 666 x 0,5). De vergoeding voor de kosten van het deskundigenrapport was niet in geschil en blijft dus in stand.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal de uitspraak op bezwaar vernietigen voor zover deze ziet op de toegekende forfaitaire kostenvergoeding voor rechtsbijstand. Overeenkomstig wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, stelt zij de proceskosten voor de bezwaarfase vast op € 666. Dat betekent dat de heffingsambtenaar voor de bezwaarfase een nabetaling moet doen van € 370 (€ 666 - € 296).
Proceskosten en griffierecht
10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond zal verklaren, zal zij bepalen dat de heffingsambtenaar het door eiser betaalde griffierecht vergoedt.
11.1.
De rechtbank zal de heffingsambtenaar ook veroordelen in de proceskosten van eiser die zien op de beroepsfase.
11.2.
Voor de beroepsfase stelt de rechtbank de proceskosten vast op € 467. Eiser heeft in zijn brief van 16 maart 2026 namelijk opgemerkt dat hij (ook voor de beroepsfase) een wegingsfactor 0,5 passender vindt dan een wegingsfactor 1,0. Daar kan de rechtbank zich wel in vinden, omdat het geschil ten tijde van het indienen van het beroepschrift louter zag op een aantal kwesties die de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase betroffen. Dat rechtvaardigt op zichzelf wel een lagere wegingsfactor dan gemiddeld, maar het gewicht is ook weer niet zeer licht. Binnen het kader van de proceskostenvergoeding was er immers sprake van een inhoudelijk geschilpunt, namelijk de toegepaste wegingsfactor in bezwaar. De beroepsgronden zagen eerder ook nog op het negeren van de cessie en de toepassing van het gemeentelijke beleid ter zake. Het ging dus weliswaar over een relatief klein geschilpunt, maar dat geschilpunt werd inhoudelijk wel op meerdere vlakken uitgediept. De rechtbank gaat daarom uit van 1 punt (indienen beroepschrift) x € 934 x 0,5 (gewicht).
11.3.
De rechtbank overweegt tot slot dat de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM niet van toepassing is, omdat de uitspraak op bezwaar vóór 1 januari 2024 is gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, uitsluitend voor zover deze ziet op de toegekende forfaitaire kostenvergoeding voor rechtsbijstand;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de uitspraak op bezwaar;
- stelt de proceskosten voor rechtsbijstand in de bezwaarfase vast op (in totaal) € 666;
- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser in de beroepsfase tot een bedrag van € 467;
- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 50 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van D.A. van der Beek, griffier.
griffier de rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op: 26 mei 2026.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rechtbank Noord-Nederland 9 januari 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:19.
2.ECLI:NL:HR:2024:1060, onder punt 12.