ECLI:NL:RBNNE:2026:2097
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling kostenvergoeding rechtsbijstand bezwaarfase WOZ-waarde en proceskosten beroepsfase
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om de vaststelling van de kostenvergoeding voor rechtsbijstand in de bezwaarfase tegen een WOZ-waardebeschikking voor het belastingjaar 2023. De heffingsambtenaar had een wegingsfactor van 0,5 toegepast, wat eiser betwistte en een factor 1,0 vorderde. De rechtbank constateert dat partijen inmiddels overeenstemming hebben bereikt over de wegingsfactor 0,5.
De rechtbank past het tarief van €666 per punt toe, conform een eerder arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2024, en stelt de forfaitaire vergoeding voor de bezwaarfase vast op €666 (2 punten x €666 x 0,5). Daarnaast worden de proceskosten voor de beroepsfase vastgesteld op €467 (1 punt x €934 x 0,5), omdat ook voor de beroepsfase een wegingsfactor 0,5 passend wordt geacht.
De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd voor zover deze de forfaitaire kostenvergoeding betreft. De heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot nabetaling van €370 voor de bezwaarfase en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van €50. De rechtbank wijst erop dat hoger beroep mogelijk is bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
De zaak betreft een inhoudelijk geschil over de juiste toepassing van de wegingsfactor bij de proceskostenvergoeding, waarbij de rechtbank zorgvuldig onderscheid maakt tussen de bezwaarfase en beroepsfase en de toepasselijke wettelijke regelingen en jurisprudentie toepast.
Uitkomst: De rechtbank stelt de kostenvergoeding voor rechtsbijstand in de bezwaarfase vast op €666 en veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van proceskosten beroepsfase van €467 en griffierecht.