ECLI:NL:RBNNE:2026:202

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
18/190126-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor ontuchtige handelingen met minderjarige kleindochter

Op 29 januari 2026 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan ontuchtige handelingen met zijn (stief)kleindochter. De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte gedurende een periode van meer dan vijf jaar, te weten van 17 juni 2019 tot en met 16 juni 2023, meermalen ontuchtige handelingen heeft gepleegd bij zijn kleindochter, die op het moment van de feiten nog geen twaalf jaar oud was. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 24 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Bij de voorwaardelijke straf zijn bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder een meldplicht bij de reclassering en een contactverbod met het slachtoffer.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het misbruik begon toen het slachtoffer acht jaar oud was en dat de verdachte het vertrouwen van de ouders van het slachtoffer ernstig heeft geschonden. De rechtbank heeft de verklaring van het slachtoffer als betrouwbaar beoordeeld, mede op basis van steunbewijs van getuigen. De verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, met uitzondering van enkele specifieke handelingen. De rechtbank heeft de verdachte gedeeltelijk vrijgesproken van de tenlastelegging, maar de overige feiten zijn bewezen verklaard.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de ernst van de feiten, de impact op het slachtoffer en de persoon van de verdachte. De verdachte is niet eerder veroordeeld en heeft blijk gegeven van spijt. De rechtbank heeft besloten om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen, met als doel de verdachte te motiveren tot behandeling en om herhaling van strafbare feiten te voorkomen. Daarnaast is de verdachte veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
Parketnummer 18/190126-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1951 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 januari 2026.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.D. Arends, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 17 juni 2019 tot en met 16 juni 2023 te [plaats] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, telkens, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2011, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
-het geven van een zoen op de mond en/of het duwen van zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer] , en/of
-het aanraken met de hand en/of het likken met de mond van de tepels en/of borsten van die [slachtoffer] , en/of
-die [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis af te laten trekken en/of vast laat houden, en/of
-het wrijven over de vagina en/of tussen de schaamlippen en/of over de clitoris van die [slachtoffer] , en/of
-het duwen van één of twee vingers in de vagina van die [slachtoffer] , en/of
-het likken over de vagina en/of tussen de schaamlippen en/of over de clitoris van die [slachtoffer] , en/of
-het zichzelf masturberen en/of klaarkomen terwijl hij, verdachte, die [slachtoffer] haar vagina likt, en/of
-het houden van zijn, verdachtes, penis tegen de vaginaopening van die [slachtoffer] en/of probeert zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] te brengen
terwijl dit feit werd begaan jegens een kind dat werd verzorgd of opgevoed als behorend tot het gezin van verdachte, een kind waarover verdachte het gezag uitoefende en/of een anderszins aan de zorg, waakzaamheid of opleiding van verdachte toevertrouwd kind en/of een aan verdachte ondergeschikt kind;
2
hij op of omstreeks 17 juni 2024 tot en met 30 januari 2025, meermalen, althans eenmaal, telkens, in de periode van 17 juni 2023 tot en met 30 juni 2024, te [plaats] , althans in Nederland, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2011, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
-het geven van een zoen op de mond en/of het duwen van zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer] , en/of
-het aanraken met de hand en/of het likken met de mond van de tepels en/of borsten van die [slachtoffer] , en/of
-die [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis af te laten trekken en/of vast laat houden, en/of
-het wrijven over de vagina en/of tussen de schaamlippen en/of over de clitoris van die [slachtoffer] , en/of
-het duwen van één of twee vingers in de vagina van die [slachtoffer] , en/of
-het likken over de vagina en/of tussen de schaamlippen en/of over de clitoris van die [slachtoffer] , en/of
-het zichzelf masturberen en/of klaarkomen terwijl hij, verdachte, die [slachtoffer] haar vagina likt, en/of
-het houden van zijn, verdachtes, penis tegen de vaginaopening van die [slachtoffer] en/of probeert zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] te brengen
terwijl dit feit werd begaan jegens verdachtes een kind dat werd verzorgd of opgevoed als behorend tot het gezin van verdachte, een kind waarover verdachte het gezag uitoefende en/of een anderszins aan de zorg, waakzaamheid of opleiding van verdachte toevertrouwd kind en/of een aan verdachte ondergeschikt kind;
en/of
in de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 januari 2025, te [plaats] , althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, telkens, met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2011, een of meer seksuele handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, heeft verricht, te weten
-het geven van een zoen op de mond en/of het duwen van zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer] , en/of
-het aanraken met de hand en/of het likken met de mond van de tepels en/of borsten van die [slachtoffer] , en/of
-die [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis af te laten trekken en/of vast laat houden, en/of
-het wrijven over de vagina en/of tussen de schaamlippen en/of over de clitoris van die [slachtoffer] , en/of
-het duwen van één of twee vingers in de vagina van die [slachtoffer] , en/of
-het likken over de vagina en/of tussen de schaamlippen en/of over de clitoris van die [slachtoffer] , en/of
-het zichzelf masturberen en/of klaarkomen terwijl hij, verdachte, die [slachtoffer] haar vagina likt, en/of
-het houden van zijn, verdachtes, penis tegen de vaginaopening van die [slachtoffer] en/of probeert zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] te brengen,
terwijl dit feit werd begaan jegens een kind dat werd verzorgd of opgevoed als behorend tot het gezin van verdachte, een kind waarover verdachte het gezag uitoefende en/of een anderszins aan de zorg, waakzaamheid of opleiding van verdachte toevertrouwd kind en/of een aan verdachte ondergeschikt kind.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de onder 1 en 2 (cumulatief) ten laste gelegde feiten.
Standpunt van de verdediging
Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de onder 1 en 2 (cumulatief) ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, met uitzondering van:
- het laten aftrekken van zijn penis door [slachtoffer] (bij beide feiten ten laste gelegd onder het derde
gedachtestreepje);
- het duwen van zijn vingers in de vagina van [slachtoffer] (bij beide feiten ten laste gelegd onder het
vijfde gedachtestreepje);
- het proberen zijn penis in de vagina van [slachtoffer] te brengen (bij beide feiten ten laste gelegd onder
het achtste gedachtestreepje).
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voor deze onderdelen van de tenlastelegging (partieel) dient te worden vrijgesproken, nu het procesdossier onvoldoende bewijs bevat om tot een bewezenverklaring van deze onderdelen te kunnen komen. De overige onder feit 1 en 2 (cumulatief) ten laste gelegde onderdelen van deze feiten kunnen wettig en overtuigend bewezen worden.
Oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij gedurende een periode van ruim vijf jaar ontuchtige handelingen heeft gepleegd met zijn (stief)kleindochter [slachtoffer] (hierna te noemen: [slachtoffer] ), geboren op [geboortedatum] 2011. Verdachte heeft ook bekend dat die ontuchtige handelingen mede hebben bestaan uit het wrijven en likken tussen de schaamlippen, wat kan worden aangemerkt als het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer] . Ter terechtzitting heeft verdachte echter ontkend dat hij zich door [slachtoffer] heeft laten aftrekken, dat hij zijn vingers in haar vagina heeft
geduwd en dat hij heeft geprobeerd om zijn penis in haar vagina te brengen. De vraag die de rechtbank daarom thans dient te beantwoorden, is of ook deze ten laste gelegde handelingen, gelet op de belastende verklaring van [slachtoffer] enerzijds en de ontkenning van verdachte anderzijds, wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.
Betrouwbaarheid verklaring [slachtoffer]
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] op 31 januari 2025 aan haar mentor op school heeft verteld wat er tussen haar en verdachte zou zijn voorgevallen. [slachtoffer] heeft in dat gesprek verklaard, zakelijk weergegeven, dat haar opa haar weleens meenam naar de keuken en dat hij ook weleens bij haar in bed kwam liggen. Op de vraag van de mentor wat opa dan bij haar deed, wees [slachtoffer] naar haar borsten en vagina. [slachtoffer] vertelde voorts dat het begonnen is toen zij acht jaar oud was en dat de laatste keer ongeveer een maand geleden is geweest. [slachtoffer] vertelde verder dat opa nog geen seks met haar heeft gehad omdat hij zei dat haar lichaam daar nog niet klaar voor was. In een gesprek op 3 februari 2025 heeft [slachtoffer] aan haar mentor en de schoolcoördinator verteld dat zij ook aan de penis van verdachte moest zitten.
Nadat de moeder van [slachtoffer] door school was geïnformeerd over deze gesprekken, heeft zij contact opgenomen met de politie. [slachtoffer] is vervolgens op 22 februari 2025 in een kindvriendelijke studio gehoord. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] gedetailleerd, feitelijk en consistent heeft verklaard over de specifieke handelingen die verdachte bij haar heeft verricht. Zo verklaart [slachtoffer] over het aftrekken van verdachte:
Hij deed het voor en daarna pakte hij mijn hand en dan moest ik hetzelfde bij hem doen.Terwijl [slachtoffer] dit vertelt, zien verbalisanten dat zij een rondje maakt met haar hand, haar vingers kromt, haar vingers naar haar duim brengt en haar hand heen en weer schudt. En over het vingeren verklaart [slachtoffer] :
Je hebt dat wrijven, maar ook dat hij zijn vingers in mij stopt.
Ik weet niet hoe dat gat heet.Als verbalisant vraagt waar het gat voor is, antwoordt [slachtoffer] :
Eén voor het plassen, één voor numero twee en één waar de penis in kan gaan. Maar beter gezegd het gat als je ongesteld bent.Op de vraag waar opa dan met zijn vingers gaat, antwoordt [slachtoffer] :
Waar ook het bloed uitkomt. Als verbalisant daarna vraagt wat opa dan met zijn vinger doet, antwoordt [slachtoffer]
Erin en eruit. De handelingen van verdachte en de context waarbinnen deze hebben plaatsgevonden, zijn door [slachtoffer] met het verloop van de tijd ook niet groter of ernstiger gemaakt. Op de vraag van verbalisant of het aftrekken vaker of één keer is gebeurd, antwoordt [slachtoffer] bijvoorbeeld:
Dat is wel vaker gebeurd, maar niet zo heel vaak.Daarnaast vertelt [slachtoffer] op eigen initiatief ook duidelijk over handelingen die niet zijn gebeurd, wat de betrouwbaarheid van haar verklaring verder versterkt. Zo verklaart [slachtoffer] over het moment dat verdachte zijn penis in haar vagina probeerde te brengen:
Hij had toen zijn lul bij mijn vagina, maar dat lukte niet. Dat paste niet, dat paste gewoon niet in mijn lichaam. Hij heeft niet verder geprobeerd te drukken met zijn lul. Dat is de enige keer dat dit gebeurd is.
De verklaring die [slachtoffer] heeft afgelegd, komt de rechtbank authentiek en oprecht voor. Op de vraag wat zij voelde op het moment dat verdachte zijn vingers in en uit haar vagina bewoog, antwoordt [slachtoffer] :
Mijn lichaam heeft daar eigenlijk geen gevoelens bij. Die vindt het niet fijn, maar eigenlijk gewoon kut. Mijn lichaam wilde gewoon weg en vluchten.Ook gebruikt [slachtoffer] in haar verklaring veel zinnen met
ik zouen
hij zou. Als verbalisanten haar vragen waarom zij juist deze woorden kiest, antwoordt [slachtoffer] dat het voor haar makkelijker is om op deze manier over de gebeurtenissen te vertellen, maar dat opa dit ook daadwerkelijk bij haar heeft gedaan.
Gelet op voorgaande overwegingen kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat [slachtoffer] heeft verklaard over ervaringen die zij daadwerkelijk heeft meegemaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] betrouwbaar is en voor het bewijs kan worden gebruikt.
Steunbewijs
In zedenzaken doet zich veelal de situatie voor dat naast het slachtoffer en de verdachte geen getuigen aanwezig zijn geweest bij de veronderstelde seksuele of ontuchtige handelingen. Volgens artikel 342 lid 2 Sv kan de rechter het bewijs dat verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft gepleegd, niet uitsluitend aannemen op de verklaring van één getuige (het slachtoffer). Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, moet er daarom sprake zijn van ander bewijsmateriaal dat de verklaring van het slachtoffer voldoende ondersteunt. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is daarbij niet vereist dat alle onderdelen van de tenlastelegging bevestiging vinden in dit steunbewijs. Voldoende kan zijn dat de verklaring van het slachtoffer op bepaalde, specifieke punten wordt bevestigd door het steunbewijs.
Voorwaarde hierbij is wel dat dit bewijsmateriaal afkomstig is uit een andere bron dan het slachtoffer en dat er niet een te ver verwijderd verband bestaat tussen de verklaring van het slachtoffer en het steunbewijs. Dit steunbewijs kan volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad ook bestaan uit een verklaring van een getuige over de door hem of haar waargenomen emoties bij het slachtoffer vlak na het moment dat de seksuele of ontuchtige handelingen zouden hebben plaatsgevonden. Dit is het geval indien de emotionele gemoedstoestand die de getuige (disclosuregetuige) bij het slachtoffer heeft waargenomen, niet anders kan worden opgevat dan als een bevestiging van de verklaringen van het slachtoffer.
Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van [slachtoffer] voldoende steun in andere bewijsmiddelen. De rechtbank wijst hiertoe allereerst op de verklaring van getuige [getuige] , de mentor van [slachtoffer] op school. Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, berust deze verklaring niet alleen op informatie die de getuige van [slachtoffer] heeft verkregen (de auditu), maar verklaart de getuige ook over de emoties die zij zelf bij [slachtoffer] heeft waargenomen. Zij verklaart dat [slachtoffer] begon te huilen op het moment dat zij aan haar vroeg wat er aan de hand was. Toen [slachtoffer] vertelde wat er tussen haar en verdachte zou zijn voorgevallen was [slachtoffer] heel rustig, maar stroomden er tranen.
Ook viel het de mentor op dat [slachtoffer] naar woorden zocht en de plekken waar verdachte haar zou hebben aangeraakt niet benoemde, maar aanwees. De getuige kreeg hierdoor de indruk dat het voor [slachtoffer] moeilijk was om haar verhaal te vertellen. De coördinator van school die bij het getuigenverhoor aanwezig was ( [naam] ) vult aan dat het haar tijdens het gesprek van 3 februari 2025 opviel dat [slachtoffer] soms in de derde persoon sprak, alsof ze erbuiten stond. De rechtbank constateert dat de wijze waarop [slachtoffer] aan haar mentor en schoolcoördinator beschrijft wat er tussen haar en verdachte zou zijn voorgevallen overeenkomt met de wijze waarop ze dit in het studioverhoor ook aan verbalisant heeft verteld (aanwijzen van borsten en vagina en de (dissociatieve) woordkeuze
ik zouen
hij zou). De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door de getuige waargenomen emoties voldoende objectief zijn en in direct verband staan tot de verklaring van [slachtoffer] over de (ten laste gelegde) ontuchtige handelingen door verdachte. Deze verklaring kan daarom worden gebruikt als steunbewijs.
Voorts wordt de verklaring van [slachtoffer] (deels) ook ondersteund door de verklaring van verdachte zelf. Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft ontkend dat hij heeft geprobeerd om zijn penis in haar vagina te brengen, heeft hij ook verklaard dat hij wel met zijn slappe penis tegen het uitwendige genitale gebied heeft gewreven. Deze verklaring komt overeen met de verklaring van [slachtoffer] . In het studioverhoor verklaart [slachtoffer] dat zij op het bewuste moment de penis van verdachte tegen haar gat voelde. Zij heeft toen ook de penis van verdachte gezien. Op de vraag van verbalisant of de penis hard, slap, half hard of nog anders was, antwoordt zij:
Hij hangt er gewoon een beetje los bij. Hij had geen stijve.
Daarnaast verklaart verdachte, net als [slachtoffer] , dat de door hem beschreven handeling heeft plaatsgevonden in de keuken en dat deze is geëindigd doordat verdachte naar het toilet is gegaan.
Conclusie
Op basis van voorgaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de betrouwbare verklaring van [slachtoffer] op specifieke punten voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, ook voorzover haar verklaring inhoudt dat zij de penis van verdachte heeft moeten aftrekken, dat hij zijn vingers in haar vagina heeft geduwd en dat verdachte heeft geprobeerd om zijn penis in haar vagina te brengen. De
rechtbank acht de onder 1 en 2 (cumulatief) ten laste gelegde feiten dan ook wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring.
Partiele vrijspraak feit 2 achtste gedachtestreepje
[slachtoffer] heeft in het studioverhoor verklaard dat verdachte op één moment heeft geprobeerd om zijn penis in haar vagina te brengen en dat dit is gebeurd toen zij nog op de basisschool zat (de periode van 17 juni 2019 tot en met 16 juni 2023). De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het plegen van deze handeling in de periode van 17 juni 2023 tot en met 30 januari 2025, zoals hem onder feit 2 (cumulatief) onder het achtste gedachtestreepje is tenlastegelegd.
Bewijsmiddelen
De rechtbank baseert haar beslissing dat verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn opgenomen. Indien tegen dit (verkort) vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op of omstreeks 17 juni 2019 tot en met 16 juni 2023 in Nederland, meermalen, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2011, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
-het geven van een zoen op de mond en het duwen van zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer] , en
-het aanraken met de hand en/of het likken met de mond van de tepels en borsten van die [slachtoffer] , en
-die [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis af te laten trekken en vast te laten houden, en
-het wrijven over de vagina en tussen de schaamlippen en over de clitoris van die [slachtoffer] , en
-het duwen van één of twee vingers in de vagina van die [slachtoffer] , en
-het likken over de vagina en tussen de schaamlippen en over de clitoris van die [slachtoffer] , en
-het zichzelf masturberen en klaarkomen terwijl hij, verdachte, die [slachtoffer] haar vagina likt, en
-het houden van zijn, verdachtes, penis tegen de vaginaopening van die [slachtoffer] en proberen zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] te brengen
terwijl dit feit werd begaan jegens een aan de zorg of waakzaamheid van verdachte toevertrouwd kind;
2
hij in de periode van 17 juni 2023 tot en met 30 juni 2024 in Nederland, meermalen, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2011, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten
-het geven van een zoen op de mond en het duwen van zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer] , en
-het aanraken met de hand en het likken met de mond van de tepels en borsten van die [slachtoffer] , en
-die [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis af te laten trekken en vast te laten houden, en
-het wrijven over de vagina en tussen de schaamlippen en over de clitoris van die [slachtoffer] , en
-het duwen van één of twee vingers in de vagina van die [slachtoffer] , en
-het likken over de vagina en tussen de schaamlippen en over de clitoris van die [slachtoffer] , en
-het zichzelf masturberen en klaarkomen terwijl hij, verdachte, die [slachtoffer] haar vagina likt,
terwijl dit feit werd begaan jegens een aan de zorg of waakzaamheid van verdachte toevertrouwd kind;
en
in de periode van 1 juli 2024 tot en met 30 januari 2025 in Nederland meermalen met een kind in de leeftijd van twaalf tot zestien jaren, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2011, seksuele handelingen die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, heeft verricht, te weten
-het geven van een zoen op de mond en het duwen van zijn, verdachtes, tong in de mond van die [slachtoffer] , en
-het aanraken met de hand en het likken met de mond van de tepels en borsten van die [slachtoffer] , en
-die [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis af te laten trekken en vast te laten houden, en
-het wrijven over de vagina en tussen de schaamlippen en over de clitoris van die [slachtoffer] , en
-het duwen van één of twee vingers in de vagina van die [slachtoffer] , en
-het likken over de vagina en tussen de schaamlippen en over de clitoris van die [slachtoffer] , en
-het zichzelf masturberen en klaarkomen terwijl hij, verdachte, die [slachtoffer] haar vagina likt, terwijl dit feit werd begaan jegens aan de zorg of waakzaamheid van verdachte toevertrouwd kind.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1:
met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;
Feit 2:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd;
en
verkrachting in de leeftijdscategorie van twaalf tot zestien jaren, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de onder 1 en 2 (cumulatief) ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering is gesteld, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan het voorwaardelijke strafdeel de volgende bijzondere voorwaarden worden gekoppeld: een meldplicht bij de reclassering, het meewerken aan diagnostiek en de eventueel daaruit voortvloeiende ambulante behandeling en een contactverbod met [slachtoffer] .
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat een lange onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend is. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte een zogenaamde
first offenderis, dat hij op leeftijd is, kwetsbaar is en cognitieve beperkingen heeft, dat verdachte spijt heeft van zijn handelen, dat hij bereid is om mee te werken aan een eventuele behandeling en dat het recidiverisico door de reclassering is ingeschat als laag. Gelet hierop verzoekt de raadsvrouw om een groot gedeelte van de straf voorwaardelijk op te leggen, eventueel in combinatie met bijzondere voorwaarden.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het rapport van reclassering Nederland van 16 september 2025 en de toelichting daarop ter terechtzitting door [reclasseringsmedewerker] , reclasseringswerker, de afrondingsbrief van AFPB Mesdag d.d. 3 juli 2025 en het uittreksel uit de justitiële documentatie (het strafblad) van 21 november 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in een periode van ruim vijf jaar schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen bij zijn (stief)kleindochter, [slachtoffer] , die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam. [slachtoffer] was acht jaar oud toen het misbruik begon. Het misbruik heeft plaatsgehad in de woning van de vader van [slachtoffer] , in de woning van haar moeder én in de woning van verdachte, bij uitstek de plekken waar [slachtoffer] veiligheid, geborgenheid en bescherming had moeten vinden. Het misbruik heeft zowel op onbewaakte ogenblikken thuis als op momenten waarop [slachtoffer] door haar ouders aan de zorgen van haar (stief)opa was toevertrouwd, plaatsgevonden. Hij heeft het vertrouwen van haar ouders in ernstige mate geschonden. Met zijn handelen heeft verdachte bovendien en in het bijzonder een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van [slachtoffer] en het vertrouwen dat [slachtoffer] in hem als haar (stief)opa had, ernstig beschaamd. Verdachte heeft hier geen oog voor gehad en heeft zijn eigen (lust)gevoelens en behoeften boven de belangen van [slachtoffer] gesteld. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt hoe groot de impact van het handelen van verdachte op [slachtoffer] is. Nog iedere dag voelt zij schaamte, angst en wantrouwen. Haar vertrouwen in mannen is ernstig aangetast. In situaties die voor anderen normaal zijn, voelt zij zich daardoor onveilig. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk.
Het strafblad
De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 21 november 2025. Hieruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Het strafblad van verdachte werkt bij het bepalen van de (hoogte van de) straf dan ook niet strafverzwarend.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van de afrondingsbrief van AFPB Mesdag van 3 juli 2025. Uit deze brief blijkt dat verdachte, op eigen initiatief, door het UMCG is aangemeld bij AFPB Mesdag. Aanleiding hiervoor was zijn suïcidepoging op 10 februari 2025, de dag dat verdachte door zijn partner (de oma van [slachtoffer] ) was geconfronteerd met het seksueel misbruik. Uit de brief van het AFPB volgt dat de gesprekken met verdachte moeizaam zijn verlopen. Enerzijds door de taalbarrière, maar anderzijds ook omdat verdachte zich afwerend en terughoudend heeft opgesteld. Het AFPB merkt daarbij wel op dat derden mogelijk invloed hebben gehad op (deze houding van) verdachte. Het recidiverisico wordt door het AFPB ingeschat op laag (statistische factoren) en matig (dynamische factoren). Risicofactoren worden gezien in eenzaamheid/sociale afwijzing en de beperkte copingvaardigheden van verdachte. Hoewel er aanknopingspunten voor behandeling zijn, schat het AFPB in dat verdachte (te) weinig intrinsieke motivatie heeft om deze te laten slagen.
De rechtbank heeft voorts kennis genomen van het reclasseringsrapport van 16 september 2025. Uit dit rapport en de toelichting daarop ter terechtzitting volgt dat de reclassering het recidiverisico inschat als laag. De score van verdachte op de zedenspecifieke risicotaxatie is laag. Daarnaast streeft verdachte maatschappelijk geaccepteerde doelen na, heeft hij geen contact meer met minderjarigen en heeft hij ook geen hulpvraag. Ook is er geen sprake van problematiek op de verschillende leefgebieden: verdachte is met pensioen, heeft een eigen huurwoning, geen schulden, een klein, maar steunend sociaal netwerk en er is geen sprake van middelengebruik. De reclassering adviseert om daarom een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Mocht de rechtbank toch voorwaarden willen opleggen, dan is de reclassering bereid toezicht te houden en verdachte te begeleiden.
Bij het bepalen van de (hoogte van de) straf overweegt de rechtbank tot slot het volgende.
De rechtbank waardeert het dat verdachte ter terechtzitting de ontuchtige handelingen (grotendeels) heeft bekend en dat hij hiervoor ook, meerdere malen, zijn spijt heeft betuigd. Het besef (achteraf) dat hij van een slachtoffer van seksueel misbruik nu zelf dader is geworden, doet hem zichtbaar verdriet. Verdachte heeft voorts verklaard dat hij de consequenties van zijn handelen aanvaard en dat hij open staat voor hulp en behandeling. Op de vraag van de rechtbank wat verdachte heeft gedreven om de bewezenverklaarde
feiten te plegen, heeft verdachte ter terechtzitting evenwel geen goed antwoord kunnen geven. De rechtbank kan zich daarbij niet aan de indruk onttrekken dat verdachte ter terechtzitting niet het achterste van zijn tong heeft (willen) laten zien. Dit beeld wordt bevestigd door de verslaglegging van de verschillende gesprekken die met verdachte zijn gevoerd (bij de politie, het UMCG, de AFPB en de reclassering). Hieruit volgt dat verdachte tegenstrijdige en soms ontwijkende antwoorden geeft, dat hij de oorzaak van zijn handelen vooral buiten zichzelf lijkt te leggen en dat hij een ambivalente houding heeft ten aanzien van hulp en behandeling. Dit baart de rechtbank zorgen voor de toekomst.
De straf
De rechtbank is van oordeel dat de aard en ernst van de feiten en de lange periode waarin deze hebben plaatsgevonden, in beginsel een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen.
Tegelijkertijd dient de rechtbank bij de strafoplegging rekening te houden met de persoon van verdachte en het belang van de maatschappij bij het voorkomen van nieuwe (soortgelijke) strafbare feiten. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in onderhavige zaak het zwaartepunt van de straf op toezicht, diagnostiek en (eventuele) behandeling dient te liggen. Hierbij speelt een belangrijke rol dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij bereid en gemotiveerd is om een behandeling te ondergaan. Gelet hierop ziet de rechtbank aanleiding om af te wijken van de eis van de officier van justitie. Alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering is gesteld, waarvan 24 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, passend en geboden. Aan dit voorwaardelijk strafdeel worden de volgende bijzondere voorwaarden verbonden: een meldplicht bij de reclassering, het meewerken aan diagnostiek en de eventueel daaruit voortvloeiende ambulante behandeling en een contactverbod met [slachtoffer] . Het voorwaardelijke strafdeel dient als stok achter de deur om verdachte te (blijven) motiveren zich in te zetten voor diagnostiek en de (eventuele) noodzakelijke behandeling die hem in het kader van de bijzondere voorwaarden geboden wordt alsmede om hem ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

Benadeelde partij

[ouder 1] en [ouder 2] hebben zich, als wettelijk vertegenwoordigers (op grond van artikel 1:245 lid 4 BW) van hun dochter, benadeelde partij [slachtoffer] , door tussenkomst van hun raadsvrouw, mr. M. de Vries, advocaat te Groningen, in het geding gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 660,- ter zake van materiële schade en 25.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel dient te worden toegewezen, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel, nu de gestelde schade voldoende is komen vast te staan.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de materiële schadepost Reiskosten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de kosten gemaakt ten behoeve van bezoeken aan de politie.
Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 21 mei 2024, ECLI:NL:2024:662 (in samenhang beschouwd met de conclusie van de Procureur-Generaal van 12 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:280), komen deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking. De gevorderde schade dient in zoverre dan ook te worden afgewezen.
Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw bepleit dat deze dient te worden gematigd, nu de aangehaalde jurisprudentie en categorie van de Rotterdamse schaal niet overeenkomen met de ten laste gelegde feiten.
Oordeel van de rechtbank
Materiële schade
Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde reiskosten ten behoeve van afspraken bij de (zeden)politie niet voor vergoeding in aanmerking komen, nu deze schade niet kan worden aangemerkt als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit zoals bedoeld in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De schadepost is ook niet toewijsbaar als proceskosten op grond van de toe te passen civiele proceskostenregeling (de artikelen 237 tot en met 240 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 21 mei 2024, ECLI:NL:2024:662 (verwerping van het cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 juni 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4540). De rechtbank zal de vordering op dit punt dan ook afwijzen. Dit betreft een bedrag van (2 x 78 km) + (2 x 30 km) = 216 km x 0,33 = 71,28.
De rechtbank is voorts van oordeel dat de overige reiskosten voldoende zijn onderbouwd en in zodanig verband staan met de bewezenverklaarde feiten, dat deze aan verdachte kunnen worden toegerekend. De rechtbank zal dit gedeelte van de vordering van de benadeelde partij dan ook toewijzen. Dit betreft een bedrag van (2000 km 216 km =) 1784 km x 0,33 =
588,72.
Immateriële schade
Op grond van artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft een benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien de benadeelde, als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte, lichamelijk letsel heeft opgelopen, in de eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in de persoon is aangetast. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is van aantasting in de persoon op andere wijze in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan sprake. Uit de onderbouwing van de vordering van de benadeelde partij blijkt immers dat het bewezenverklaarde handelen van verdachte een grote psychische impact op benadeelde heeft gehad. Zij heeft last van herbelevingen, nachtmerries, vermijding, verandering in cognities en dissociatieve symptomen. Deze klachten passen bij een posttraumatische stress stoornis (PTSS). Ter behandeling van deze klachten ondergaat benadeelde een (langdurige) traumabehandeling, bestaande uit schrijftherapie in combinatie met EMDR. Dit betekent dat de benadeelde naar het oordeel van de rechtbank recht heeft op een immateriële schadevergoeding. Bij het bepalen van de hoogte hiervan zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 BW. Rekening houdend met de aard en de ernst van het delict, de gevolgen hiervan voor de benadeelde partij en de bedragen die in vergelijkbare gevallen door rechters zijn toegekend, acht de rechtbank toekenning van een bedrag van 15.000,
-billijk. De rechtbank zal dit gedeelte van de vordering van de benadeelde partij dan ook toewijzen. Voor het overige deel zal de rechtbank de vordering afwijzen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verdachte aan de benadeelde partij een schadevergoeding moet betalen van 15.588,72,
-vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 januari 2025. Tevens zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 244 (oud), 245 (oud), 248 (oud), 248 en 254 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder feit 1 en 2 (cumulatief) ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 24 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of
gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
1. dat veroordeelde zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Leonard Springerlaan 21, 9727 KB Groningen of het telefoonnummer 088-8041100. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
2. dat veroordeelde meewerkt aan diagnostiek en de eventueel daaruit voortvloeiende ambulante behandeling, door een door de reclassering aan te wijzen instelling. Indien een ambulante behandeling is geïndiceerd, duurt deze de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de door de instelling te geven aanwijzingen en huisregels;
3. dat veroordeelde op geen enkele wijze -direct of indirect- contact opneemt, zoekt of heeft met [slachtoffer] (slachtoffer), geboren op [geboortedatum] 2011 te Oldambt, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Benadeelde partij (feiten 1 en 2 (cumulatief)
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 15.588,72 (zegge: vijftienduizendvijfhonderdachtentachtig euro en tweeënzeventig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 15.588,72 (zegge: vijftienduizendvijfhonderdachtentachtig euro en tweeënzeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 588,72 aan materiële schade en 15.000,- aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 102 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. van der Kuijl, voorzitter, mr. C. Brouwer en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. K. Bodewes, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 januari 2026.
Mr. E.P. van Sloten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.