Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1717

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
17 april 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
LEE 26/1050
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
ParticipatiewetBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens weigering huisbezoek

Verzoeker ontving een bijstandsuitkering die het college van burgemeester en wethouders van Groningen op 11 maart 2026 introk wegens weigering van medewerking aan een huisbezoek. Het college baseerde dit op een anonieme tip en aanwijzingen dat verzoeker mogelijk samenwoonde op het opgegeven adres, wat de medewerkingsplicht zou schenden.

Verzoeker betwistte de intrekking en stelde dat hij niet was gewezen op de gevolgen van het weigeren van het huisbezoek en dat zijn PTSS-klachten een weigering rechtvaardigden. De voorzieningenrechter oordeelde dat er weliswaar een redelijke grond was voor het huisbezoek, maar dat het college niet aannemelijk had gemaakt dat verzoeker vooraf volledig en correct was geïnformeerd over de consequenties van weigering (informed consent).

Daarom kon de weigering niet leiden tot intrekking van de uitkering. De voorlopige voorziening werd toegewezen, het besluit geschorst en het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten. De uitspraak bindt niet in een bodemprocedure en tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt geschorst vanwege het ontbreken van informed consent bij het weigeren van het huisbezoek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/1050

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 april 2026 in de zaak tussen

[naam 1 uit woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. B. van Dijk),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, het college
(gemachtigden: S.C. de Graaf en D.M. Wagener)

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de intrekking van de uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) van verzoeker. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Het college heeft met het bestreden besluit van 13 maart 2026 de bijstandsuitkering van verzoeker met ingang van 11 maart 2026 ingetrokken. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de moeder van verzoeker [naam 2] , de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3. In de intrekking van de bijstandsuitkering van verzoeker per 11 maart 2026 ziet de ziet de voorzieningenrechter een voldoende spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Inhoudelijk oordeel
4. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Verzoeker ontving bijstandsuitkering van het college. In verband met een anonieme tip op 10 oktober 2024 heeft het college in verband met de beoordeling van verzoekers recht op de uitkering op 11 maart 2026 met verzoeker en zijn moeder gesproken. Aansluitend aan dit gesprek heeft het college geprobeerd een huisbezoek bij verzoeker af te leggen. Met het bestreden besluit is de uitkering ingetrokken.
5. Het college heeft aan de intrekking ten grondslag gelegd dat verzoeker zijn medewerkingsverplichting heeft geschonden door zijn medewerking aan een huisbezoek te weigeren. Voor dit huisbezoek bestond volgens het college een redelijke grond, omdat het college de anonieme tip had ontvangen dat verzoeker zou samenwonen op het opgegeven adres in plaats van een kamer te huren zoals hij aan het college heeft doorgegeven. Uit het onderzoek van het college is gebleken dat verzoeker de auto, van de vrouw van wie hij zegt een kamer te huren, gebruikt en hij voor deze auto de verzekering betaalt. Ook is gebleken dat verzoekers moeder deze vrouw op Facebook haar schoondochter noemt. Daarnaast heeft zij in het gesprek op 11 maart 2026 verklaard dat zij soms met haar naar een beurs gaat. Verder heeft verzoeker volgens het college tegenstrijdig verklaard over zijn relatie met de vrouw.
6. Verzoeker voert aan dat hij bij zijn aanvraag alle openheid van zaken heeft gegeven over zijn woonsituatie en dat er in de tussentijd nooit iets is gewijzigd noch door het college maar enig onderzoek is gedaan naar zijn recht op uitkering. Er was geen sprake van een noodzakelijk huisbezoek, omdat zijn situatie al bij het college bekend was. Daarbij komt ook nog dat de tip is verouderd en de Facebookpagina al niet meer bestaat. Het
college heeft hem niet gewezen op het risico van het niet meewerken aan een huisbezoek. Verzoeker geeft verder aan dat zijn PTSS-klachten opspelen wanneer hij met een plotselinge inmenging in zijn privacy wordt geconfronteerd. Dat gebeurde ook bij het gesprek van 11 maart 2026 en daarom kan hem de weigering van een huisbezoek niet worden verweten.
7. Volgens vaste rechtspraak ligt het, indien het onmiddellijk afleggen van een huisbezoek op het door de betrokkene opgegeven adres noodzakelijk is, in de risicosfeer van de betrokkene indien dat huisbezoek niet mogelijk is. Alleen een zwaarwegende reden die aan onmiddellijke uitvoering van een huisbezoek in de weg staat, kan een rechtvaardigingsgrond zijn voor het niet verlenen van de verlangde medewerking. [1]
7.1
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter was er een redelijke grond voor het afleggen van het huisbezoek. Er was sprake van de anonieme tip dat verzoeker mogelijk zou samenwonen op het door hem opgegeven adres. Het college heeft toegelicht dat het onderzoek een tijdje heeft stilgelegen in verband met de beoordeling of de zaak moest worden overgedragen aan een sociaal rechercheur voor een strafrechtelijk onderzoek. De voorzieningenrechter vindt deze toelichting navolgbaar en is van oordeel dat de anonieme tip ten grondslag mocht liggen aan het besluit tot het afleggen van een huisbezoek. Daarbij is ook van belang dat uit het onderzoek van het college een aantal omstandigheden naar voren zijn gekomen die in relatie staan tot de anonieme tip en van belang zijn voor het onderzoek naar de woon- en leefsituatie van verzoeker.
8. Volgens verdere vaste rechtspraak kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan – dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bijstandverlenend orgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren. [2]
8.1
In het geval dat sprake is van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek, dient de belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand en de toestemming van de belanghebbende moet berusten op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek. Dit is het zogenaamde vereiste van informed consent. Volgens vaste rechtspraak is het aan verweerder om te bewijzen dat voldaan is aan het vereiste van informed consent voorafgaand aan het afleggen van een huisbezoek. [3]
8.2
Het college is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat verzoeker is gewezen op de gevolgen van het niet meewerken aan het huisbezoek. In het door twee Handhavingsmedewerkers van het college opgemaakte en ondertekend gespreksverslag van 11 maart 2026, voor zover van belang, staat:
“O. belanghebbende wordt medegedeeld dat wij op onaangekondigd huisbezoek willen, omdat de woon- en leefsituatie onduidelijk is en wij de kamer van belanghebbende willen zien. Tijd: 15.00 uur.
A: ik weiger, ik laat niemand in mijn woning.
O: Wij geven belanghebbende 10 minuten bedenktijd.
A: die hoef ik niet ik blijf mij mijn antwoord
Belanghebbende pakt zijn bankafschriften terug.
NB: afgesproken is het gespreksverslag per mail naar het bij ons bekende e-mailadres te sturen”
In een rapport van 12 maart 2026 is een (zakelijke) weergave van het gesprek van 11 maart 2026 opgenomen, waarin, voor zover van belang, staat:
Belanghebbende [naam 1] weigert echter toestemming te geven voor het huisbezoek en verklaart daarbij dat niemand in de woning zal worden toegelaten. Belanghebbende [naam 1] wordt een bedenktijd van 10 minuten aangeboden, hij geeft aan hier geen gebruik van te willen maken en weigert het huisbezoek opnieuw. Aan belanghebbende [naam 1] is vervolgens uitgelegd wat de mogelijke consequenties zijn van het niet meewerken aan het huisbezoek en dat dit gevolgen kan hebben voor de voortzetting van zijn uitkering op grond van de Participatiewet.”
8.3
De voorzieningenrechter is van oordeel dat met het hiervoor geciteerde gedeelte uit de (zakelijke) weergave van het gesprek niet kan worden vastgesteld dat verzoeker is gewezen op de gevolgen voor zijn uitkering bij het weigeren van het huisbezoek, nu dit niet expliciet staat genoemd in het door de handhavers opgemaakte en ondertekende gespreksverslag van 11 maart 2026. Verzoeker en zijn moeder hebben ter zitting verklaard dat verzoeker niet op de hoogte is gebracht van de consequenties van een weigering om mee te werken aan het huisbezoek. Ook anderszins volgt uit de dossierstukken niet dat verzoeker volledig en correct is geïnformeerd over de gevolgen van een weigering om mee te werken aan het huisbezoek. Nu het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat is voldaan aan het vereiste van informed consent, kan de weigering van verzoeker om medewerking te verlenen aan het huisbezoek op zichzelf niet leiden tot de intrekking van zijn bijstandsuitkering.
9. Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in bezwaar geen stand zal kunnen houden, omdat het op een ondeugdelijke motivering berust.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 11 maart 2026 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
10.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 54,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van M. Lammerts-Rannenburg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 april 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 3 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:253
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 17 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:671
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1017