Eiseres voerde beroep aan tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 2018-2020, waarbij de kern van het geschil lag bij de vraag of de overdracht van voertuigen onderdeel was van een overgang van een algemeenheid van goederen zoals bedoeld in artikel 37d Wet OB.
De rechtbank stelde vast dat op grond van de vaststellingsovereenkomst alleen voertuigen aan [bedrijf 4] waren overgedragen, wat op zichzelf geen overgang van een onderneming of een algemeenheid van goederen inhoudt. Hoewel er aanwijzingen waren dat de overdracht deel uitmaakte van een groter geheel gericht op overdracht aan [bedrijf 6], ontbraken voldoende gegevens om dit scenario te bewijzen.
De rechtbank concludeerde dat eiseres niet had voldaan aan haar bewijslast en dat noch [bedrijf 4], noch [bedrijf 6] een onderneming of algemeenheid van goederen had verkregen. Hierdoor was de naheffingsaanslag terecht opgelegd en werd het beroep ongegrond verklaard.
Daarnaast werd het beroep mede geacht betrekking te hebben op de belastingrente, waartegen geen zelfstandige gronden waren aangevoerd, zodat ook de belastingrentebeschikking werd gehandhaafd.
De rechtbank wees het griffierecht en proceskostenvergoeding af en deed de uitspraak in het openbaar op 28 april 2026.