Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1471

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
LEE 24/319
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 85 GnwArt. 101 GnwArt. 1 GnwArt. 6 EVRMArt. 7 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurlijke boete wegens verboden publieksreclame voor ivermectine tijdens Bijbelstudie

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een bestuurlijke boete van €3.750 die aan een dominee is opgelegd wegens het maken van verboden publieksreclame voor het geneesmiddel ivermectine tijdens een Bijbelstudie op 20 december 2021. De boete is gebaseerd op overtreding van artikel 85, aanhef en onder a, van de Geneesmiddelenwet (Gnw), dat publieksreclame voor geneesmiddelen die uitsluitend op recept verkrijgbaar zijn verbiedt.

De dominee voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder dat de uitlatingen niet als reclame konden worden aangemerkt, dat het lex certa-beginsel was geschonden, en dat zijn vrijheid van godsdienst en meningsuiting onterecht was beperkt. De rechtbank oordeelde dat het beroep tijdig was ingediend en dat de uitlatingen wel degelijk reclame vormden, omdat zij het gebruik van ivermectine aanprezen en het middel tegen inkoopprijs aanboden, met het kennelijke doel het gebruik te bevorderen.

De rechtbank stelde vast dat de beperking van de vrijheid van godsdienst en meningsuiting legitiem en noodzakelijk was ter bescherming van de volksgezondheid, vooral gezien de context van de COVID-19-pandemie en het feit dat ivermectine niet was geïndiceerd voor de behandeling van COVID-19. De boete werd echter gematigd met 20% vanwege een overschrijding van de redelijke termijn van bijna twee jaar, waardoor het boetebedrag werd vastgesteld op €3.000. Tevens werd het griffierecht aan de dominee vergoed.

Uitkomst: Boete wegens verboden publieksreclame voor ivermectine bevestigd, maar gematigd tot €3.000 wegens overschrijding redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/319

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaak tussen

[naam 1 uit plaats]

(gemachtigde: mr. B.M.J. van der Meulen)
en

de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

(gemachtigde: mr. S. ten Hertog en M.C. Broere).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een boete die aan [naam 1] is opgelegd als gevolg van een melding die op 22 december 2021 is ontvangen door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. De strekking van de melding was dat via het YouTube-kanaal van de Baptistengemeente door dominee [naam 1] van Baptistenkerk “ [kerk] ” in [plaats] het medicijn ivermectine zou worden verkocht/aangeboden tegen de inkoopprijs en dat er mogelijk desinformatie zou worden verspreid. [naam 1] is het niet eens met de aan hem opgelegde boete. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het boetebesluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, uitsluitend omdat de redelijke termijn is overschreden. [naam 1] krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij brief van 21 juli 2022 heeft de minister aan [naam 1] meegedeeld dat hij het voornemen heeft om aan [naam 1] een bestuurlijke boete op te leggen naar aanleiding van het boeterapport. In de brief staat dat het gaat om een boete van € 3.750,– omdat het niet is toegestaan om publieksreclame te maken voor het geneesmiddel ivermectine, dat uitsluitend op recept ter hand wordt gesteld. De minister heeft dat gekwalificeerd als een overtreding van artikel 85, aanhef en onder a, van de Geneesmiddelenwet (Gnw).
3. Bij besluit van 15 november 2022 heeft de minister aan [naam 1] een bestuurlijke boete opgelegd van € 3.750,– wegens overtreding van artikel 85, onder a van de Gnw. [naam 1] heeft bezwaar gemaakt.
4. Met het bestreden besluit van 10 augustus 2023 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard.
4.1.
[naam 1] heeft op 22 januari 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4.2.
Bij brieven van 31 januari 2024 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze kenbaar te maken over het al dan niet tijdig indienen van het beroep door [naam 1] .
4.3.
Op 9 februari 2024 heeft [naam 1] gereageerd op de brief van 31 januari 2024.
4.4.
Bij brief van 9 februari 2024 heeft de rechtbank de minister opnieuw in de gelegenheid gesteld om haar zienswijze kenbaar te maken over het al dan niet tijdig indienen van het beroep door [naam 1] .
4.5.
Bij brief van 15 februari 2024 heeft de minister haar zienswijze over het tijdig indienen van het beroep kenbaar gemaakt.
4.6.
Bij brief van 20 augustus 2024 is het beroep aangevuld.
4.7.
Bij brieven van 16 mei 2025 is aan partijen meegedeeld dat de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer.
4.8.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
4.9.
Bij brief van 24 februari 2026 heeft de minister op verzoek van de rechtbank een niet-geanonimiseerd afschrift van de melding van 22 december 2021 ingediend, met het verzoek om de kennisneming daarvan te beperken tot de bestuursrechters. Bij tussenbeslissing van 5 maart 2026 heeft de geheimhoudingskamer van de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is. Op de zitting heeft de gemachtigde van [naam 1] de toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.10.
De rechtbank heeft het beroep op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [naam 1] en de gemachtigden van de minister.

Om welke uitlatingen gaat het?

4.11.
Volgens het boeterapport van 7 juli 2022 gaat het om de volgende twee uitingen die [naam 1] als voorganger van de Baptistengemeente “ [kerk] ” in [plaats] heeft gedaan op 20 december 2021, tijdens het bijbelcollege “Studie Bijbels Profetisch Actueel”.
“Eerdere studies mocht ik dat doorgeven dat heb ik niet uit mijzelf natuurlijk, maar uit studies die zij hebben gedaan. Vitamine C, vitamine D, zink, selenium en als het erg wordt ivermectine of hydrochloriqine of quertine, quercitine. Ik heb het. Ja en ik, ik, ik verkoop het voor inkoopsprijs. En dat is veel goedkoper dan elke vaccinatie.”
en
“Ik heb mensen op zien knappen binnen 3 tot 5 dagen door ivermectine. Ja, nou ik zeg niet hoe ik er aan kom, maar ik heb het. Dan gaan ze mijn wegen ook na.”
Beoordeling door de rechtbank
5. De relevante verdragsbepalingen en wetgeving staan in de bijlage.
Is het beroep tijdig ingediend?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep tijdig is ingediend. Zij licht dat hierna toe.
6.1.
[naam 1] heeft naar voren gebracht dat hij bekend werd met de inhoud van het besluit op bezwaar van 10 augustus 2023 door de ontvangst van een emailbericht van 15 januari 2024.
6.2.
Volgens de minister is het beroep tijdig ingesteld. Zij refereert zich aan het oordeel van de rechtbank als het gaat om de vraag of hier sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding of dat het besluit op 15 januari 2024 bekend is gemaakt.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij het besluit op bezwaar eerder aan [naam 1] heeft toegezonden dan op 15 januari 2024. [1] De beroepstermijn is daarom begonnen op 16 januari 2024. [2] Het beroep is ingesteld binnen een termijn van zes weken, gerekend vanaf 16 januari 2024. [3] Het beroep is daarom tijdig ingediend.
Kon [naam 1] verwijzen naar de bezwaargronden?
7. [naam 1] voert in zijn beroepschrift aan dat hij alle gronden handhaaft die hij in zijn bezwaarschrift naar voren heeft gebracht, ook als deze niet uitdrukkelijk worden herhaald of uitgewerkt. De rechtbank overweegt dat deze enkele mededeling van [naam 1] onvoldoende is om te spreken van een beroepsgrond waar de rechtbank op in moet gaan. [naam 1] heeft namelijk niet onderbouwd in welk opzicht het besluit op bezwaar tekort zou schieten, gelet op die bezwaargronden. De rechtbank richt zich daarom alleen op wat [naam 1] in beroep concreet heeft aangevoerd.
Wat heeft [naam 1] precies gezegd?
8. Ter zitting is vastgesteld dat de woorden “vitamine D fundamenteel” inderdaad ontbreken uit het eerste citaat dat is opgenomen in het boeterapport (zie voor de citaten rechtsoverweging 4.10). Bij het primaire besluit is een transcript gevoegd van wat is gezegd door [naam 1] . Omdat beide uitingen kort na elkaar worden gedaan is hierna één citaat uit het transcript opgenomen, de uitingen staan in de eerste en derde alinea van het citaat.
“Ik heb het van zoveel wetenschappers gehoord. Mutaties het gaat voort. Virussen, ze muteren voortdurend, maar we hebben er ook een krachtige Imuunsysteem. Echt, ik kan u, ik heb al in eerdere studies, mocht ik dat doorgeven dat heb ik niet uit mezelf natuurlijk, maar uit studies die ze hebben gedaan, vitamine c, vitamine-D fundamenteel, vitamine-D, zink, selenium, en als het erg wordt, ivermectine of hydroxychloroquine of cuetine, Quercetine. Ik heb het. Ja. En ik ik en ik en ik verkoop het voor inkoopsprijs. En het is veel goedkoper dan elke vaccinatie.
Maar als je de voedingssupplementen al neemt van hoge doses en daar moet je niet te lichtvaardig over zijn, gewoon gezond eten, zo fundamenteel. Maar wij hebben vaak een structureel gebrek aan vitamine-D. En dan moet je ook een hoge dosering nemen. Niet, maar de dosering uit het Kruidvat. Oh, dat mag ik niet zeggen, misschien, sorry sorry even even dr uitknippen. Maar dan dan moet je voedingssupplementen hebben die die die kwaliteit in zich hebben. Dat moet, dat moet je hebben. En dat is fundamenteel echt, echt.
Ik heb mensen op zien knappen binnen drie tot vijf dagen. Door ivermectine. Ja, nou, ik zeg niet hoe ik eraan kom, maar ik heb het. Dan gaan ze mijn wegen ook na.”
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop het citaat door de minister is weergegeven in de besluitvorming niet maakt dat dat citaat een wezenlijk andere betekenis heeft gekregen dan dat wat [naam 1] volgens het transcript daadwerkelijk heeft gezegd tijdens de Bijbelstudie op 20 december 2021.
Is hetlex certa-beginsel geschonden?
9. [naam 1] voert aan dat vooraf niet in voldoende mate duidelijk is wat wel en niet onder het maken van reclame zou kunnen vallen. Hij beroept zich in dit verband op het
lex certa-beginsel. Op de zitting heeft de gemachtigde van [naam 1] toegelicht dat het onvoldoende duidelijk was dat [naam 1] dat wat is gezegd, niet mocht zeggen in een kerkdienst.
9.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van strijd met het
lex certa-beginsel. Uit rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat geen sprake is van strijd met het
lex certa-beginsel als de betrokkene had moeten weten dat hij een reëel risico liep op vervolging/ beboeting. [4] , [5] In dit verband wijst de minister erop dat [naam 1] tijdens de Bijbelstudie het volgende heeft gezegd: [6]
“Ja, nou ik zeg niet hoe ik er aan kom, maar ik heb het. Dan gaan ze mijn wegen ook na.”
9.2.
Het
lex certa-beginsel verlangt van de wetgever dat hij, met het oog op de rechtszekerheid, op een zo duidelijk mogelijke wijze de verboden gedragingen omschrijft. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat de wetgever soms met een zekere vaagheid, voortvloeiend uit het gebruik van algemene termen, verboden gedragingen omschrijft om te voorkomen dat gedragingen die strafwaardig zijn buiten het bereik van die omschrijving vallen. Die vaagheid kan onvermijdelijk zijn, omdat niet altijd te voorzien is op welke wijze de te beschermen belangen in de toekomst zullen worden geschonden. Soms is het nodig dat een verbodsbepaling of een gebodsbepaling ruimte laat voor ontwikkelingen in een bepaalde sector, zoals in dit geval in de gezondheidszorg. [7]
9.3.
Artikel 1, aanhef en onder xx, van de Gnw verstaat onder “reclame” het volgende: elke vorm van beïnvloeding met het kennelijke doel het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen, dan wel het geven van de opdracht daartoe.
9.4.
Artikel 1, aanhef en onder ijij, van de Gnw verstaat onder “publieksreclame” het volgende: reclame voor een geneesmiddel die, gezien haar inhoud en de wijze waarop zij wordt geuit, kennelijk ook voor anderen dan beroepsbeoefenaren als bedoeld in artikel 82, onder a, is bestemd.
9.5.
Artikel 85, aanhef en onder a, van de Gnw verbiedt publieksreclame voor geneesmiddelen die uitsluitend op recept ter hand mogen worden gesteld. Overtreding daarvan kan op grond van artikel 101, eerste lid, van de Gnw met een bestuurlijke boete bestraft worden.
9.6.
De rechtbank is van oordeel dat hiermee voldoende duidelijk is wat de inhoud van de verbodsnorm is. Kort gezegd, er mag geen (publieks)reclame worden gemaakt voor geneesmiddelen die alleen op recept verkrijgbaar zijn. En reclame wordt gemaakt op het moment dat geprobeerd wordt het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van het geneesmiddel te bevorderen. Dat niet alle vormen van beïnvloeding zijn omschreven, maakt dat niet anders. Ook volgt uit de bepalingen duidelijk dat geen uitzondering wordt gemaakt voor ambtsdragers tijdens de godsdienstoefening of voor religieuze uitingen. In dit geval volgt ook uit wat [naam 1] zelf heeft gezegd tijdens de Bijbelstudie (zie het citaat in rechtsoverweging 13.1) dat voor hem duidelijk was dat zijn uitlatingen zouden kunnen leiden tot toezicht van de overheid. Het
lex-certabeginsel is dan ook niet geschonden en de beroepsgrond slaagt niet.
Heeft [naam 1] verboden reclame gemaakt voor ivermectine?
10. De rechtbank is van oordeel dat de minister de uitingen van [naam 1] zoals opgenomen onder rechtsoverweging 4.10 terecht heeft aangemerkt als een overtreding van artikel 85, aanhef en onder a, van de Gnw. Hetgeen daarover is aangevoerd slaagt niet. Zij licht hierna toe hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
10.1.
[naam 1] voert aan dat het gaat om twee brokjes van in totaal 23 seconden gesproken tekst (91 woorden). Anders dan de minister het wil doen voorkomen, is de bedoeling van de geciteerde woorden niet op voorhand geheel duidelijk. Volgens [naam 1] is onmiskenbaar dat niet de gehele geciteerde tekst betrekking heeft op geneesmiddelen. Deels gaat het ook over voedingsmiddelen en deels over vrees voor vervolging. Grammaticaal is er meer reden om aan te nemen dat het woord ‘het’ in het citaat terugslaat op quercetine dan op ivermectine. Quercetine is een voedingssupplement, geen geneesmiddel. [naam 1] haalt in dit verband de volgende zin uit het transcript aan:
“Eerdere studies mocht ik dat doorgeven dat heb ik niet uit mijzelf natuurlijk, maar uit studies die zij hebben gedaan.”
Volgens hem betekent het eerste woord ‘studies’ in dat zinsdeel: ‘Bijbelstudies’. Daarnaast stelt [naam 1] dat sprake was van een religieus doel. In de context van de hopeloosheid tijdens de coronapandemie heeft hij op grond van wetenschappelijke studies en ervaringen uit het buitenland met zijn uitingen hoop aan de mensen willen bieden. Van een commercieel belang was geen sprake, aldus [naam 1] .
10.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat in de nationale rechtspraak snel wordt aangenomen dat sprake is van reclame. Zij verwijst onder meer naar rechtsoverweging 2.3 van ECLI:NL:RVS:2020:1016 en rechtsoverweging 14.1 van ECLI:NL:RVS:2021:1422.
Volgens de minister wordt in de preek het gebruik van ivermectine door [naam 1] aangeprezen voor de behandeling van COVID-19-patiënten. Zo vertelt [naam 1] in de video dat meerdere patiënten binnen 3 tot 5 dagen opgeknapt zijn door ivermectine, dat hij ivermectine heeft en dat hij dit tegen de inkoopprijs aanbiedt. Daarnaast zegt hij dat dit middel veel goedkoper is dan elke vaccinatie. De video kan hierdoor bij patiënten en het algemeen publiek de indruk wekken dat behandeling met ivermectine een veilige, goede, voordelige en effectieve behandeling is voor mensen met COVID-19. Hierdoor heeft deze video het kennelijke doel om het gebruik van ivermectine te bevorderen. Hierbij is van belang dat ivermectine niet geïndiceerd is voor de behandeling van corona/COVID-19, maar voor de behandeling van schurft, draadworminfectie en microfilariëmie. Er wordt zodoende geen objectieve informatie gegeven die in overeenstemming is met de samenvatting van de productkenmerken van het geneesmiddel, aldus de minister. Ook wijst de minister erop dat [naam 1] in zijn preek spreekt over oversterfte en dat hij citaten aanhaalt waarin vaccineren gelijk wordt gesteld aan genocide. Door deze uitingen te doen in dezelfde preek als waarin ivermectine wordt aangeprezen, worden degenen die de preek beluisteren nog sterker beïnvloed om te kiezen voor ivermectine.
Uit het tweede citaat (zie rechtsoverweging 4.10) volgt volgens de minister dat [naam 1] het over ivermectine heeft waar hij (in het eerste citaat) zegt dat hij het tegen de inkoopprijs verkoopt. Quercetine wordt immers niet genoemd in het tweede citaat. De stelling dat [naam 1] ivermectine te koop aanbiedt, draagt bij aan het reclamekarakter van de uitingen. [naam 1] legitimeert hiermee het aanschaffen van ivermectine voor de behandeling van COVID-19, aldus de minister.
Dat [naam 1] stelt dat de woorden ‘eerdere studies’ uit het eerste citaat zien op de Bijbelstudies die hij eerder heeft gegeven is tegenstrijdig met de rest van het citaat. [naam 1] stelt namelijk dat ‘zij’ de studies hebben gedaan. Hij zegt niet dat hijzelf de studies heeft gedaan. Het noemen van deze (ongespecificeerde) studies is een (autoriteits)argument, waardoor het gebruik van ivermectine enkel verder wordt gestimuleerd. Overigens is de verwijzing naar deze (ongespecificeerde) studies niet doorslaggevend. Ook zonder dit element is er sprake van reclame, aldus de minister.
10.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat ivermectine een geneesmiddel is in de zin van de Gnw.
10.4.
Artikel 1, aanhef en onder xx, van de Gnw verstaat onder “reclame” het volgende: elke vorm van beïnvloeding met het kennelijke doel het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen, dan wel het geven van de opdracht daartoe.
10.5.
Artikel 1, aanhef en onder ijij, van de Gnw verstaat onder “publieksreclame” het volgende: reclame voor een geneesmiddel die, gezien haar inhoud en de wijze waarop zij wordt geuit, kennelijk ook voor anderen dan beroepsbeoefenaren als bedoeld in artikel 82, onder a, is bestemd.
10.6.
Uit het arrest MDS/Merckle van het Hof van Justitie van 5 mei 2011 [8] volgt dat het begrip “reclame voor geneesmiddelen” ruim moet worden opgevat. Daarover is in dat arrest het volgende overwogen.
29. Uit de tekst van deze bepaling [9] , en in het bijzonder uit de woorden „alle vormen”, volgt duidelijk dat het door de wetgever van de Unie gehanteerde begrip reclame voor geneesmiddelen zeer ruim is. Zoals uit punt 44 van de considerans van richtlijn 2001/83 blijkt, kan dit begrip de verspreiding via het internet van informatie over geneesmiddelen omvatten (zie in die zin arrest van 2 april 2009, Damgaard, C-421/07, Jurispr. blz. I-2629, punt 28).
30. Wat in het bijzonder geneesmiddelen zoals in het hoofdgeding betreft, die uitsluitend op medisch recept mogen worden verstrekt, vindt deze ruime opvatting van het begrip reclame steun in de voornaamste doelstelling van richtlijn 2001/83, namelijk de bescherming van de volksgezondheid (zie reeds aangehaald arrest Damgaard, punt 22). Gelet op de ernstige gevolgen die een verkeerd of overmatig gebruik van dergelijke geneesmiddelen voor de gezondheid kan hebben, rechtvaardigt deze doelstelling een ruime uitlegging van het verbod op reclame voor geneesmiddelen.
31. Uit artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 blijkt eveneens dat een reclameboodschap haar aard in wezen ontleent aan de doelstelling die zij nastreeft. Deze doelstelling vormt aldus het doorslaggevende element om reclame van loutere informatie te onderscheiden.
32. De definitie van artikel 86, lid 1, van richtlijn 2001/83 sluit dus in beginsel niet uit dat publicaties of boodschappen die enkel objectieve informatie bevatten, als reclame kunnen worden beschouwd. Wanneer de boodschap is bedoeld ter bevordering van het voorschrijven, het afleveren, de verkoop of het verbruik van geneesmiddelen, maakt zij reclame uit in de zin van deze richtlijn. Een zuiver informatieve mededeling zonder publicitair doel valt daarentegen niet onder de bepalingen van deze richtlijn inzake reclame voor geneesmiddelen.
33. Of het verstrekken van bepaalde informatie al dan niet een reclamedoelstelling nastreeft, moet door de nationale rechter worden vastgesteld op basis van een concreet onderzoek van alle relevante omstandigheden van het betrokken geval (zie in die zin reeds aangehaald arrest Damgaard, punt 23).”
10.7.
Op de zitting is duidelijk geworden dat [naam 1] niet betwist dat met het woord “kennelijke” in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder xx, van de Gnw op grond van de wetsgeschiedenis een verlichte bewijslast is bedoeld.
10.8.
De rechtbank overweegt dat [naam 1] met zijn uitlatingen toehoorders aanspoort om ivermectine te gebruiken. De nadruk in de uitingen ligt in het in wervende bewoordingen benadrukken van gestelde positieve eigenschappen van (onder meer) ivermectine. Als de citaten in onderlinge samenhang worden beschouwd, dan kan er geen redelijke twijfel over bestaan dat ivermectine volgens [naam 1] zeer geschikt is als geneesmiddel om COVID-19 bij de mens te (helpen) genezen en dat zijn doel is om het gebruik ervan te bevorderen. [naam 1] doet geen zuivere informatieve mededeling. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat geen sprake is van het uiteenzetten van voor- en nadelen van het middel noch van openheid over waar het middel volgens de bijsluiter voor bedoeld is. De minister heeft de uitingen van [naam 1] dan ook terecht gekwalificeerd als reclame in de zin van de Gnw. Dat [naam 1] hoop wilde bieden aan de mensen, maakt niet dat geen sprake is van reclame. Het religieuze doel van [naam 1] sluit niet uit dat hij ook het gebruik van ivermectine heeft bevorderd. Hoop kan ook geboden worden, zonder reclame te maken. De beroepsgrond slaagt niet.
Is [naam 1] terecht aangemerkt als overtreder of moesten de gedragingen aan de kerk worden toegerekend?
11. De rechtbank is van oordeel dat [naam 1] terecht is aangemerkt als overtreder van artikel 85, aanhef en onder a, van de Gnw. Hetgeen daarover is aangevoerd slaagt niet. Zij licht dat hierna toe.
12. [naam 1] betoogt dat de boete ten onrechte aan hem is opgelegd. Het gaat om een gedraging van hem als voorganger, dus als orgaan van de kerk. Daarmee zijn het gedragingen van de kerk.
12.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat de gedragingen van [naam 1] niet moeten worden toegerekend aan de kerk. Ingevolge artikel 5:1, tweede lid, van de Awb wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Volgens vaste rechtspraak is de overtreder in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Dat is in dit geval de natuurlijke persoon die reclame maakt. Dat ook de kerk eventueel als overtreder zou kunnen worden aangemerkt, is niet relevant voor de vaststelling of [naam 1] overtreder is.
12.2.
De rechtbank is met de minister, en op grond van de door haar gegeven motivering, van oordeel dat [naam 1] terecht door de minister is aangemerkt als overtreder van artikel 85, aanhef en onder a, van de Gnw. De rechtbank neemt daarbij in ogenschouw dat [naam 1] een grote vrijheid heeft in wat hij tijdens de Bijbelstudies naar voren brengt en dat hij zelf bepaalt wat hij in die Bijbelstudie aan zijn toehoorders meegeeft. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de beperking van de vrijheid van godsdienst en meningsuiting noodzakelijk en dient deze beperking een legitiem doel?
13. Tussen partijen staat vast dat de minister met het besluit op bezwaar het recht van [naam 1] op vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting heeft beperkt. Partijen zijn het er ook over eens dat de beperking bij wet is voorzien, áls sprake is van reclame in de zin van de Gnw. Hiervoor is geoordeeld dat in deze zaak inderdaad sprake is van reclame in de zin van de Gnw, zodat geen verdere bespreking behoeft of de beperking bij wet is voorzien. Partijen verschillen van mening over de vraag of de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving en of de beperking een legitiem doel dient.
14. De rechtbank is van oordeel dat het recht van [naam 1] op vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting op legitieme wijze is beperkt door de minister. Hetgeen daarover is aangevoerd slaagt niet. Dat licht de rechtbank hierna toe.
Is het verbod op (publieks)reclame voor geneesmiddelen noodzakelijk?
15. De rechtbank is van oordeel dat het verbod op publieksreclame voor geneesmiddelen in een democratische samenleving noodzakelijk is. Zij licht toe hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
15.1.
[naam 1] voert aan dat religieuze gemeenschappen in Nederland tot voor kort alleen in extreme situaties – waarbij bijvoorbeeld sprake was van aanzetten tot haat of tot geweld – bang hoefden te zijn voor overheidscontrole op en inmenging in de geloofsverkondiging. Uit het bestreden besluit blijkt volgens hem zonneklaar dat de inspectie de godsdienstoefeningen die worden geleid door dominee [naam 1] systematisch is blijven volgen met het kennelijke doel hem te betrappen op overtredingen gedurende de Bijbelstudies. Het door de overheid aldus afgegeven signaal van voortdurende controle is een zeer ernstige inbreuk op de belijdenisvrijheid, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging en vergadering zoals deze worden beschermd in de Grondwet, het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en de internationale mensenrechtenverdragen van de Raad van Europa en van de Verenigde Naties.
15.1.1.
Op de zitting heeft de gemachtigde van [naam 1] toegelicht dat de beperking van de vrijheid van religie en de vrijheid van meningsuiting niet noodzakelijk is, omdat in dit concrete geval ivermectine geen gevaar voor de volksgezondheid heeft opgeleverd, integendeel: mensen zijn door ivermectine genezen.
15.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit geen inbreuk maakt op de belijdenisvrijheid. Het staat iedereen vrij om te geloven wat diegene wil. Dat recht is ongeclausuleerd. Dit absolute recht geldt echter niet voor de manifestatie van het geloof. Het recht om overtuigingen te uiten – en in het gezelschap van anderen en in het openbaar te praktiseren – is niet absoluut. De uiting door een persoon van zijn of haar religieuze overtuiging kan gevolgen hebben voor anderen. Daarom hebben de opstellers van de internationale verdragen een aantal voorwaarden gesteld waaraan een inperking moet voldoen. Dat volgt bijvoorbeeld uit artikel 9, tweede lid, van het EVRM.
Op grond van artikel 9, tweede lid, van het EVRM kan de vrijheid godsdienst te belijden of een overtuiging tot uiting te brengen aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan die bij de wet zijn voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de openbare veiligheid, voor de bescherming van de openbare orde, gezondheid of goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. De beperking van de vrijheid van godsdienst in het geval van [naam 1] is bij wet voorzien, aangezien de boeteoplegging is gebaseerd op artikel 85, aanhef en onder a, van de Gnw. De doelstelling van dit artikel is de bescherming van de volksgezondheid, aldus de minister.
Volgens de minister is de inbreuk op de vrijheid van religie noodzakelijk in een democratische samenleving. De Staat heeft hierbij een grote beoordelingsvrijheid. Volgens vaste rechtspraak van het EHRM mag de vrijheid van religie worden beperkt om gezondheidsredenen en worden deze beperkingen geaccepteerd indien zij gelden voor iedereen. In dit verband heeft de minister verwezen naar rechtspraak van het EHRM. [10] Het verbod om publieksreclame te maken voor receptgeneesmiddelen geldt voor iedereen. Volgens vaste rechtspraak is voor de beoordeling van de noodzakelijkheid van de inbreuk in een democratische samenleving niet steeds een afweging per situatie vereist, maar volstaat een algemene toetsing, aldus de minister.
De minister heeft ook gewezen op rechtspraak, waaruit volgens haar volgt dat het reclameverbod van publieksreclame voor receptgeneesmiddelen de bescherming van de volksgezondheid dient. [11]
15.3.
De rechtbank leidt uit rechtspraak van het EHRM af dat voor de beoordeling van de noodzakelijkheid van de inbreuk in een democratische samenleving niet steeds een afweging per situatie is vereist, maar dat een algemene toetsing volstaat. De minister heeft in dit verband terecht verwezen naar de uitspraak van het EHRM van 6 mei 2014. [12]
15.4.
De rechtbank is van oordeel dat de beperking in een democratische samenleving noodzakelijk was. De uitingen van [naam 1] zijn gedaan tijdens een volksgezondheidscrisis, veroorzaakt door COVID-19. Die uitingen waren niet in overeenstemming met de destijds in de Nederlandse medische wetenschap geldende medische standaard. Ten tijde van de uitingen had het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) het gebruik van ivermectine in de NHG-Standaard COVID-19 namelijk afgeraden. [13] Voorts is aannemelijk dat degenen die de Bijbelstudie hebben gevolgd een bepaald gezag aan de uitingen van [naam 1] hebben toegekend, waarbij van belang is dat het aannemelijk is dat ook mensen zonder medische kennis behoorden tot de geloofsgemeenschap. Ook daarom is de beperking van de vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting noodzakelijk in een democratische samenleving. [14] De minister is terecht tot deze conclusie gekomen.
Dient de beperking een legitiem doel?
15.5.
De rechtbank stelt vast dat het doel dat wordt gediend met het verbod op publieksreclame, zoals neergelegd in artikel 85, aanhef en onder a, van de Gnw past binnen het doelcriterium “het beschermen van de volksgezondheid”, opgenomen in artikel 9 van Pro het EVRM en artikel 10 van Pro het EVRM. [15] Gelet op de ernstige gevolgen van verkeerd of overmatig gebruik van geneesmiddelen die uitsluitend op recept verkrijgbaar zijn, wordt met het verbod op publieksreclame van dergelijke geneesmiddelen de volksgezondheid beschermd.
15.6.
De rechtbank is van oordeel dat het recht van [naam 1] op vrijheid van godsdienst en vrijheid van meningsuiting op legitieme wijze is beperkt door de minister. De rechtbank merkt hierbij nog op dat men een geloof ook kan belijden zonder reclame te maken voor receptgeneesmiddelen. De beroepsgrond slaagt niet.
15.7.
[naam 1] heeft volstaan met het noemen van de Grondwet, het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en de internationale mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties. Hij heeft niet onderbouwd in welk opzicht op deze verdragen een inbreuk is gemaakt. Daarom is geen sprake van een beroepsgrond die door de rechtbank moet worden betrokken bij de inhoudelijke behandeling van deze zaak.
Heeft [naam 1] onderbouwd dat het recht op vrijheid van vereniging en vrijheid van vergadering is geschonden?
16. [naam 1] heeft niet onderbouwd in welk opzicht een inbreuk is gemaakt op de vrijheid van vereniging en/ of de vrijheid van vergadering. Daarom is geen sprake van een beroepsgrond die door de rechtbank moet worden betrokken bij de inhoudelijke behandeling van deze zaak.
Is het gelijkheidsbeginsel geschonden?
17. De rechtbank is van oordeel dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. Hetgeen daarover is aangevoerd slaagt niet. Zij licht dat hierna toe.
17.1.
[naam 1] voert aan dat hij in een Bijbelstudie van twee uur gedurende minder dan 23 seconden heeft gesproken over een receptgeneesmiddel dat hij bij naam heeft genoemd. Powned heeft een hele uitzending gewijd aan een receptgeneesmiddel dat het bij naam heeft genoemd. Zowel [naam 1] als Powned hebben eigenschappen genoemd die degenen die daarvan kennisnemen positief zouden kunnen vinden. Voor zover ten aanzien van Powned niet wordt gehandhaafd, maakt [naam 1] aanspraak op gelijke behandeling, of ten minste op een motivering die rechtvaardigt waarom hij slechter wordt behandeld dan Powned.
17.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat het maken van publieksreclame voor ivermectine niet vergelijkbaar is met het maken van publieksreclame voor Ozempic, zoals Powned heeft gedaan. De reden hiervoor is dat de EMA, het WGO en de beroepsgroepen voor artsen en apothekers het gebruik van ivermectine voor COVID-19 sterk hebben afgeraden. Bij Ozempic is dit niet het geval, waardoor het risico voor de volksgezondheid bij ivermectine groter is. De minister verwijst in dit verband naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). [16] Bovendien was de uitzending van Powned aangepast, genuanceerd en werden er disclaimers getoond.
17.3.
De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van gevallen die rechtens gelijk zijn. Het gebruik van Ozempic wordt, anders dan ivermectine, niet sterk afgeraden door artsen en apothekers. De minister wijst er terecht op dat het risico voor de volksgezondheid niet vergelijkbaar is. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister aan [naam 1] terecht een boete opgelegd?
18. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister aan [naam 1] terecht een boete heeft opgelegd.
Is de hoogte van de boete passend en geboden?
19. De boete dient evenwel gematigd te worden omdat de redelijke termijn overschreden is, om zo tot een boetebedrag te komen dat passend en geboden is.
19.1.
De redelijke termijn van twee jaar vangt aan op het moment dat sprake is van een
chargein de zin van artikel 6 van Pro het EVRM. In dit geval is dat 21 juli 2022, de datum vermeld in de brief waarmee de minister aan [naam 1] heeft meegedeeld dat hij het voornemen heeft om aan [naam 1] een bestuurlijke boete op te leggen naar aanleiding van het boeterapport. Daaruit volgt dat de redelijke termijn is overschreden met één jaar en negen maanden.
19.2.
In boetezaken waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden wordt naar bevind van zaken gehandeld. De rechtbank zal de boete matigen met 5% per (gedeelte van een) half jaar, in dit geval dus met 20% (€ 750,–).

Conclusie en gevolgen

20. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat aanleiding bestaat voor matiging van de boete. De rechtbank zal het besluit van 10 augustus 2023 vernietigen voor wat betreft de hoogte van de boete en het besluit van 15 november 2022 herroepen wat betreft de hoogte van de boete. De rechtbank zal de hoogte van de boete vaststellen op € 3.000,00 (€ 3.750,00 x 0,8) en zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 10 augustus 2023. [17] De rechtbank zal bepalen dat de minister Sport het griffierecht van € 187,00 aan [naam 1] moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 10 augustus 2023, DWJZ-2022000747, wat betreft de hoogte van de boete;
  • herroept het besluit van 15 november
  • stelt het bedrag van de opgelegde boete vast op € 3.000,00;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 10 augustus 2023;
  • bepaalt dat de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het griffierecht van € 187,00 aan [naam 1] moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzitter, en mr. M. Lok en mr. A.S. Broere, leden, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop een afschrift van deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke verdrags- en wetsbepalingen
Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms
Article 6
1. In the determination of his civil rights and obligations or of any criminal charge against him, everyone is entitled to a fair and public hearing within a reasonable time by an independent and impartial tribunal established by law. Judgment shall be pronounced publicly but the press and public may be excluded from all or part of the trial in the interests of morals, public order or national security in a democratic society, where the interests of juveniles or the protection of the private life of the parties so require, or to the extent strictly necessary in the opinion of the court in special circumstances where publicity would prejudice the interests of justice.
2-3. […]
Article 7
1. No one shall be held guilty of any criminal offence on account of any act or omission which did not constitute a criminal offence under national or international law at the time when it was committed. Nor shall a heavier penalty be imposed than the one that was applicable at the time the criminal offence was committed.
2. This Article shall not prejudice the trial and punishment of any person for any act or omission which, at the time when it was committed, was criminal according to the general principles of law recognised by civilised nations.
Article 9
1. Everyone has the right to freedom of thought, conscience and religion; this right includes freedom to change his religion or belief and freedom, either alone or in community with others and in public or private, to manifest his religion or belief, in worship, teaching, practice and observance.
2. Freedom to manifest one's religion or beliefs shall be subject only to such limitations as are prescribed by law and are necessary in a democratic society in the interests of public safety, for the protection of public order, health or morals, or for the protection of the rights and freedoms of others.
Article 10
1. Everyone has the right to freedom of expression. This right shall include freedom to hold opinions and to receive and impart information and ideas without interference by public authority and regardless of frontiers. This Article shall not prevent States from requiring the licensing of broadcasting, television or cinema enterprises.
2. The exercise of these freedoms, since it carries with it duties and responsibilities, may be subject to such formalities, conditions, restrictions or penalties as are prescribed by law and are necessary in a democratic society, in the interests of national security, territorial integrity or public safety, for the prevention of disorder or crime, for the protection of health or morals, for the protection of the reputation or rights of others, for preventing the disclosure of information received in confidence, or for maintaining the authority and impartiality of the judiciary.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 5:1
1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.
2. Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt.,
3. […]
Artikel 5:4
1. De bevoegdheid tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie bestaat slechts voor zover zij bij of krachtens de wet is verleend.
2. Een bestuurlijke sanctie wordt slechts opgelegd indien de overtreding en de sanctie bij of krachtens een aan de gedraging voorafgaand wettelijk voorschrift zijn omschreven.
Artikel 8:29
1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.
2. […]
3. De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.
4. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.
5. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.
6. […]
Geneesmiddelenwet
Artikel 1
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. […]
b. geneesmiddel: een substantie of een samenstel van substanties die bestemd is om te worden toegediend of aangewend voor dan wel op enigerlei wijze wordt gepresenteerd als zijnde geschikt voor:
1°. het genezen of voorkomen van een ziekte, gebrek, wond of pijn bij de mens,
2°. het stellen van een geneeskundige diagnose bij de mens, of
3°. het herstellen, verbeteren of anderszins wijzigen van fysiologische functies bij de mens door een farmacologisch, immunologisch of metabolisch effect te bewerkstelligen;
b.1-r. […]
s. UR-geneesmiddel: een geneesmiddel dat uitsluitend op recept ter hand mag worden gesteld;
s.1-
ww.7. […]
xx. reclame: elke vorm van beïnvloeding met het kennelijke doel het voorschrijven, ter hand stellen of gebruiken van een geneesmiddel te bevorderen, dan wel het geven van de opdracht daartoe;
ijij. Publieksreclame: reclame voor een geneesmiddel die, gezien haar inhoud en de wijze waarop zij wordt geuit, kennelijk ook voor anderen dan beroepsbeoefenaren als bedoeld in artikel 82, onder a, is bestemd;
2-8. […]
Artikel 82
1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
a. beroepsbeoefenaar: natuurlijke persoon die op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg zelfstandig bevoegd is tot het verrichten van de handelingen als bedoeld in artikel 36, veertiende lid, van die wet, apotheker, apothekersassistent of natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 62, eerste lid, onderdeel d, en derde lid.
b. […]
2. […]
Artikel 85
Publieksreclame is verboden voor geneesmiddelen die:
a. uitsluitend op recept ter hand mogen worden gesteld;
b. […]
Artikel 101
1. Onze Minister kan een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag van de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht ter zake van een overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel […] 85 […].
2-4. […]

Voetnoten

1.. Artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.. Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
3.. Artikel 6:7 van Pro de Awb.
4.. EHRM 11 november 1996, Cantoni tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:1996:1115JUD001786291, par. 35.
5.. EHRM 3 mei 2007, Custers, Deveaux en Turk t. Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2007:0503JUD001184303, par. 81.
6.. Zie het transcript, zoals opgenomen in het bestreden besluit.
7.. Vgl. ABRvS 8 mei 2024, rechtsoverweging 10.2, ECLI:NL:RVS:2024:1870.
8.. ECLI:EU:C:2011:275 (C 316/09; MDS/Merckle), punten 29-33.
9.Artikel 86, lid 1 van de Richtlijn 2001/83
10.. EHRM 6 mei 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0506DEC002816707, Fränklin-Beentjes en Ceflu-Luz Da Floresta t. Nederland), punt 47 en 48.
11.. ABRvS 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1038.
12.. Zie voetnoot 4.
13.. ECLI:NL:GHARL:2022:10864, rechtsoverweging 2.3.
14.Zie ook
15.. Vgl. Hof van Justitie van 5 mei 2011, ECLI:EU:C:2011:275 (C316/09; MDS/Merckle), punt 30.
16.. ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5349.
17.. Artikel 8:72a van de Awb.