Eiseres betwist de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van haar vrijstaande woning per waardepeildatum 1 januari 2023, die is vastgesteld op € 791.000. Zij stelt dat de waarde te hoog is en pleit voor een lagere waarde van € 697.095. De heffingsambtenaar onderbouwt de WOZ-waarde met een waardematrix waarin verkoopcijfers van vier vergelijkbare woningen zijn opgenomen, waarbij rekening is gehouden met verschillen in gebruiksoppervlakte, kavelgrootte, bijgebouwen en staat van onderhoud.
De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar zijn bewijslast heeft voldaan door de waarde te baseren op verkoopcijfers van vergelijkbare woningen die rond de waardepeildatum zijn gerealiseerd. De WOZ-waarde is niet gebaseerd op nabijgelegen woningen die niet vergelijkbaar zijn. De rechtbank volgt de heffingsambtenaar in zijn keuze van referentiewoningen en acht de waardematrix en de onderbouwing voldoende om de vastgestelde WOZ-waarde te rechtvaardigen.
Eiseres is niet verschenen op de zitting, ondanks tijdige en juiste uitnodiging. De rechtbank concludeert dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaart het beroep ongegrond. De WOZ-waarde blijft gehandhaafd op € 791.000, en eiseres krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.