Uitspraak
[eiser] , uit [plaats] , eiser,
de heffingsambtenaar van de gemeente Heerenveen
Feiten
Beoordeling door de rechtbank
verkocht. Voor zover eiser een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel, kan dat volgens de heffingsambtenaar niet slagen. Dan moet namelijk in de eerste plaats al sprake zijn van nagenoeg identieke woningen, en dat is hier niet het geval. Zo heeft [X-straat R] een veel ondoelmatiger perceel (twee percelen in de vorm van een taartpunt in plaats van een rechthoekig perceel) en is er een beautysalon gevestigd in een bijgebouw.
verkocht. De WOZ-waarde van een naastgelegen woning is dus niet relevant voor de waardebepaling. Dat is alleen anders als voor twee of meer woningen die (nagenoeg) identiek zijn aan de woning waarvan de WOZ-waarde in geschil is, een lagere WOZ-waarde is vastgesteld. Dan kan een beroep worden gedaan op de zogenaamde meerderheidsregel als uitvloeisel van het gelijkheidsbeginsel. Wil een dergelijk beroep op het gelijkheidsbeginsel slagen, dan moet er wel sprake zijn van nagenoeg identieke woningen. Volgens de Hoge Raad moet de vergelijking in dat geval worden beperkt tot woningen die identiek zijn, in die zin dat de onderlinge verschillen naar het oordeel van de rechter die over de feiten oordeelt, verwaarloosbaar zijn én moet sprake zijn van ten minste
tweenagenoeg identieke woningen die lager zijn gewaardeerd. Nog daargelaten dat eiser naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk heeft gemaakt dat [X-straat R] nagenoeg identiek is zoals bedoeld in de uitspraak van de Hoge Raad (zo heeft eiser zelf al gesteld dat [X-straat R] een perceel heeft dat tweemaal zo groot is), gaat het hierbij slechts om één woning die nagenoeg identiek zou zijn en waarvan de WOZ-waarde lager is vastgesteld. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom niet.
als geheelmoet worden gekeken. Volgens hem is het antwoord op de vraag of de oppervlakte van de garage 17 m2 of 39 m2 is, niet of nauwelijks van invloed op het bod dat een gegadigde voor de woning zou doen (zie weer onder punt 4) en voor zover dat wel van invloed is, valt dat onder de zogenaamde taxatiemarge.
als geheelniet te hoog heeft vastgesteld. Daargelaten dat de heffingsambtenaar op de zitting heeft verklaard de oppervlakte van de garage te zullen controleren, stelt hij terecht dat die oppervlakte niet van doorslaggevende betekenis is voor de waardebepaling. Er moet uiteraard wel rekening worden gehouden met de bijgebouwen die een woning heeft, maar de waarde van een woning wordt niet verkregen door een optelsom te maken van de onderdelen daarvan. Ook al is de oppervlakte van de garage in dit geval mogelijk minder dan de helft van de oppervlakte die de heffingsambtenaar in de matrix heeft genoemd, dan leidt dat niet per definitie tot de conclusie dat de WOZ-waarde te hoog is vastgesteld. Daarbij is van belang dat de eindwaarde moet worden ingeschat aan de hand van verkoopgegevens van andere, vergelijkbare woningen. Het gaat er dus niet om dat de heffingsambtenaar een mathematische waarheid produceert, omdat een onzekerheidsmarge inherent is aan taxeren [3] . Anders gezegd, het valt nooit met zekerheid te zeggen of eisers woning op 1 januari 2022 € 313.000 of – bijvoorbeeld – € 10.000 meer of meer minder zou hebben opgeleverd, omdat zijn woning nu eenmaal niet op die datum is verkocht.