Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1417

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 april 2026
Publicatiedatum
23 april 2026
Zaaknummer
LEE 24/4503
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Algemene wet inzake rijksbelastingenArt. 6:22 AwbArt. 4:17 AwbArt. 1:3 AwbArt. 7:10 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen aanslag inkomstenbelasting 2022 gegrond wegens schending hoorplicht en ambtshalve vermindering

Eiseres maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2022, waarbij de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning had vastgesteld op € 36.743. Na bezwaar werd het inkomen verminderd tot € 34.139, maar later ambtshalve verder verlaagd tot € 33.960, conform de oorspronkelijke aangifte van eiseres.

De rechtbank constateerde dat de hoorplicht door de inspecteur was geschonden, wat niet zonder gevolgen kon blijven. De rechtbank besloot zelf in de zaak te voorzien en verklaarde het beroep gegrond. Het verzoek om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen werd afgewezen omdat de ingebrekestelling prematuur was en na het verstrijken van de beslistermijn geen nieuwe ingebrekestelling was gedaan.

Ook het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, omdat de redelijke termijn van twee jaar nog niet was overschreden. De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar en handhaafde de aanslag zoals ambtshalve verminderd. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de aanslag wordt ambtshalve verminderd en verzoeken om dwangsom en immateriële schadevergoeding worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4503
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 16 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [naam 1] ),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren/kantoor Arnhem, de inspecteur.
(gemachtigde: mr. [naam 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 5 november 2024.
1.1.
De inspecteur heeft aan eiseres voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.743. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur eiseres € 87 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking).
1.2.
De inspecteur heeft het bezwaar van eiseres gegrond verklaard in zijn uitspraak op bezwaar. Het belastbaar inkomen uit werk en woning is verminderd tot € 34.139. De belastingrentebeschikking is in overeenstemming hiermee verminderd tot een bedrag van € 5.
1.3.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
Eiseres heeft voor de zitting nadere stukken overgelegd.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 2 februari 2026 op een zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde en partner [naam 1] en de gemachtigde van de inspecteur, bijgestaan door mr. [naam 3] .

Feiten

2. Mevrouw [eiseres] is gehuwd met de heer [naam 1] (de partner). Voor het belastingjaar 2022 kwalificeren zij als fiscale partners. [1]
2.1.
Eiseres en haar partner hebben op 30 april 2023 gezamenlijk hun aangiften IB/PVV 2022 ingediend. Hierin heeft eiseres een inkomen uit werk en woning van € 33.960 opgegeven. Dit inkomen is als volgt opgebouwd:
Stichting pensioenfonds ABP
€ 5.059
ABP negatief loon
-/- € 2.463
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
€ 36.183
Totaal pensioen, lijfrente of andere uitkering
€ 38.779
Totaal pensioen, lijfrente of andere uitkering
€ 38.779
Inkomsten uit eigen woning
-/- € 4.199
Persoonsgebonden aftrek
-/- € 620
Inkomen uit werk en woning
€ 33.960
2.2.
De inspecteur heeft met datum 13 februari 2024 een brief gestuurd aan eiseres met daarin het voornemen om af te wijken van de aangifte. In de brief geeft hij aan dat hij van plan is om af te wijken van de ingediende aangifte door het negatief aangegeven inkomen (ABP) van € 2.463 niet in aftrek toe te staan.
2.3.
Eiseres en haar partner hebben op 15 maart 2024 gereageerd op het voornemen om af te wijken van de aangifte. De brief van eiseres en haar partner is door de inspecteur ontvangen op 19 maart 2024. In de brief is onder andere – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

U zond ons twee brieven van uw voornemens om af te wijken van onze gezamenlijke inkomstenopgave tijdvak 2022. Deze twee brieven gaan hierbij in debijlage 1.
Uw voornemen af te wijken is ons inziens onjuist en zijn wij het dan ook niet eens, omdat wij gezamenlijk inkomstenopgave doen ontvangt u onze beider reactie in 1 brief.
2.4.
Met datum 23 mei 2024 heeft de inspecteur een handhaving afwijking aangifte naar eiseres gestuurd. Hij geeft hierin aan de aanslag vast te stellen in overeenstemming met de brief met daarin het voornemen om af te wijken van de aangifte (2.4.).
2.5.
De inspecteur heeft met datum 14 juni 2024 de aanslag IB/PVV 2022 vastgesteld. Hierbij heeft de inspecteur de aanslag in overeenstemming de brief met daarin het voornemen om af te wijken van de aangifte vastgesteld naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.743.
2.6.
Eiseres heeft op 26 juli 2024 bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2022. Het bezwaar is op dezelfde dag ontvangen door de inspecteur.
2.7.
De inspecteur heeft per brief van 1 augustus 2024 de reguliere termijn om te beslissen op het bezwaar eenzijdig verdaagd met zes weken, tot 18 oktober 2024.
2.8.
Op 26 juli 2024 heeft de inspecteur een ingebrekestelling ontvangen. Op het formulier Dwangsom Bij niet tijdig beslissen heeft eiseres het volgende ingevuld:

Meerdere: d.d. 15-3-2024 verzonden, d.d. 17-3-2024 door de inspecteur ontvangen d.d. 19 maart 2024.
1. bezwaren tegen vooringenomen afwijken van de aangifte de IBaangifte 2022 was van d.d. 30-4-2023 de vooringenomen afwijken namens de inspecteur was bijna een jaar nadien: van d.d. 13-02-2024, het bezwaarschrift is door de inspecteur onvangen d.d. 19-3-2024 (post-NL);
2. Het bezwaarschrifte bevat ook een expliciet verzoekschrift aan de inspecteur een beslissing te nemen nl een beslissing te nemen omtrent de teruggave (dubbele) afdracht ZvW 2022. Die beslistermijn is anders nl 8 weken na d.d. 19-3
2.9.
Op 25 september 2024 heeft de inspecteur aan eiseres zijn voorgenomen beslissing op de het bezwaar tegen de aanslag gestuurd.
2.10.
De inspecteur heeft met datum 18 oktober 2024 een toelichting op de uitspraak op bezwaar aan eiseres gestuurd.
2.11.
Met datum 5 november 2024 heeft de inspecteur het bezwaar gegrond verklaard en het belastbaar inkomen uit werk en woning verminderd tot € 34.139.
2.12.
Met datum 21 februari 2025 heeft de inspecteur de aanslag ambtshalve verminderd (de verminderingsbeschikking), omdat er bij de uitspraak op bezwaar geen rekening was gehouden met het zogenoemde correctiebeleid. Hij heeft daarbij het inkomen uit werk en woning nader vastgesteld op € 33.960 (dus in overeenstemming met de aangifte). De belastingrentebeschikking is vernietigd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt voorop dat na de verminderingsbeschikking (zie 2.12) er geen geschil meer over de hoogte van de aanslag IB/PVV 2022 bestaat. Na de verminderingsbeschikking is de aanslag namelijk in overeenstemming met de door eiseres ingediende aangifte vastgesteld. Omdat er nog een geschil is over de dwangsom en de vergoeding van immateriële schade, is het beroep wel ontvankelijk. De inspecteur heeft de aanslag tijdens de beroepsfase ambtshalve verminderd. Daarom is het beroep van eiseres hoe dan ook gegrond. De rechtbank zal alleen nog beoordelen of eiseres recht heeft op een dwangsom in de zin van artikel 4:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en of zij recht heeft op een vergoeding van immateriële schade. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
4. De rechtbank is van oordeel dat eiseres geen recht heeft op een dwangsom en ook niet op een vergoeding van immateriële schade. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen deze oordelen hebben.
Schending hoorplicht
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de hoorplicht is geschonden.
6. Vervolgens moet de vraag beantwoord worden welke gevolgen de schending van de hoorplicht heeft. De rechtbank kan oordelen dat aan die schending voorbij wordt gegaan als eiseres daardoor niet in zijn belangen zou zijn geschaad. [2] Vanwege de wezenlijke betekenis die het horen voor de bezwaarprocedure heeft, is daarvan niet snel sprake. De rechtbank stelt vast dat partijen in de bezwaarfase op inhoudelijke gronden van mening verschilden over de hoogte van de aanslag IB/PVV 2022. Aan de schending van de hoorplicht kan in dit geval dan ook niet worden voorbijgegaan. [3]
7. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de rechtbank de zaak zal terugverwijzen of zelf in de zaak zal voorzien. In zijn verweerschrift heeft de inspecteur aan de rechter verzocht om zelf in de zaak te voorzien, en dus niet terug te wijzen. Op de zitting heeft eiseres hiermee ingestemd. De rechtbank zal daarom zelf in de zaak voorzien en het beroep ten aanzien van de aanslag IB/PVV 2022 inhoudelijk behandelen. Ook vanwege de schending van de hoorplicht is het beroep gegrond.
Dwangsom
8. Eiseres voert aan dat zij op 15 maart 2024 bezwaar heeft gemaakt waarop volgens haar niet tijdig is beslist door de inspecteur. Op 26 juli 2024 heeft eiseres de inspecteur in gebreke gesteld en de inspecteur heeft niet binnen de gestelde termijn van 14 dagen alsnog beslist. Eiseres is daarom van mening dat zij recht heeft op een dwangsom.
9. De inspecteur stelt dat eiseres geen recht heeft op een dwangsom, omdat het bezwaar van eiseres niet kan worden aangemerkt als een rechtsgeldig ingediend bezwaar. Omdat er geen sprake was van een bezwaarprocedure kan de inspecteur ook niet in gebreke gesteld worden en is er daarom geen dwangsom verschuldigd.
10. De rechtbank overweegt dat de dwangsomregeling pas aan de orde kan komen indien er sprake is van een beschikking op aanvraag. [4] Onder een beschikking wordt verstaan, een besluit dat niet van algemene strekking is, met inbegrip van de afwijzing van een aanvraag daarvan. [5] Onder besluit wordt een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijk rechtshandeling verstaan. [6] Er is sprake van een aanvraag als een belanghebbende verzoekt een besluit te nemen. [7]
11. Op 15 maart 2024 (2.3.) heeft eiseres gereageerd op de brief met daarin het voornemen tot om af te wijken van de aangifte met datum 13 februari 2024. De brief met datum 13 februari 2024 (2.2.) is geen beschikking in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. De inspecteur heeft met dit voornemen namelijk nog geen (definitieve) beslissingen genomen waar rechtsgevolgen uit volgen, maar enkel het voornemen tot afwijken van de aangifte kenbaar gemaakt. Er heeft dus nog geen publiekrechtelijke rechtshandeling plaatsgevonden, terwijl dit wel noodzakelijk is om de dwangsomregeling van toepassing te laten zijn (10.). De dwangsomregeling is in dit geval daarom niet van toepassing. Eiseres heeft daarom geen recht op een dwangsom.
11. Voor zover eiseres op de zitting de stelling heeft ingenomen dat de brief van 15 maart 2024 ook een bezwaar was tegen de handhavingsbrief van 23 mei 2024 (2.4.), volgt de rechtbank eiseres daar niet in. Uit brief van 15 maart 2024 (2.3.) en de ingebrekestelling (2.8) volgt duidelijk dat deze zien op de brief met daarin het voornemen om af te wijken van de aangifte IB/PVV 2022 en niet op de handhavingsbrief van 23 mei 2024. Dit standpunt van eiseres mist daarom feitelijke grondslag.
13. Zelfs als de ingebrekestelling zou moeten worden opgevat als een ingebrekestelling vanwege het uitblijven van een uitspraak op bezwaar, kan dat eiser niet baten. In de eerste plaats zou die prematuur zijn, dat wil zeggen: te vroeg ingediend. De beslistermijn was immers nog (lang) niet verstreken toen de ingebrekestelling binnenkwam. Uit de stukken volgt verder dat het bezwaar van eiseres tegen de aanslag is ontvangen op 26 juli 2024 (2.6.). Dit was ook de laatste dag van de bezwaartermijn, de beslistermijn is daarom op 27 juli 2024 gaan lopen. [8] De inspecteur heeft de beslistermijn eenzijdig verlengd (2.7). [9] De wettelijke beslistermijn verliep op 18 oktober 2024. De inspecteur heeft op 5 november 2024 uitspraak op bezwaar gedaan. De inspecteur heeft dus niet tijdig uitspraak op bezwaar gedaan. Eiseres kan pas aanspraak maken op een dwangsom, als zij ná het verstrijken van de beslistermijn een ingebrekestelling heeft gestuurd aan de inspecteur. Eiseres heeft echter na 18 oktober 2024 geen (nieuwe) ingebrekestelling verstuurd, waardoor de inspecteur aan eiseres geen dwangsom verschuldigd is.
14. De rechtbank wijst het verzoek om een dwangsom af.
Immateriële schadevergoeding (ISV)?
15. Eiseres heeft een verzoek gedaan tot vergoeding van immateriële schade wegens langdurige onzekerheid, spanning en frustratie die rechtstreeks voortvloeit uit het handelen van de inspecteur. Volgens vaste rechtspraak [10] geldt voor een uitspraak in eerste aanleg dat deze niet binnen een redelijke termijn is gedaan als de rechtbank niet binnen twee jaar na aanvang van die termijn uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn begint op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in het beroep. Zoals hiervoor is overwogen, is eiseres op 26 juli 2024 (rechtsgeldig) in bezwaar gekomen tegen de aanslag (2.6). Op de dag van deze uitspraak is de redelijke termijn van twee jaar nog niet overschreden. De rechtbank oordeelt dan ook dat eiseres geen recht heeft op ISV.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond omdat de hoorplicht is geschonden en omdat de inspecteur in de beroepsfase een verminderingsbeschikking heeft vastgesteld. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar. De rechtbank zal de aanslag IB/PVV 2022 handhaven zoals deze na de verminderingsbeschikking is komen te luiden (berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.960). De rechtbank wijst het verzoek om een dwangsom en immateriële schadevergoeding af.
16.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht en de proceskosten aan eiseres vergoeden. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 14,20 (reiskosten op basis van tarief openbaar vervoer, tweede klas, retour, [traject] ).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- handhaaft de aanslag IB/PVV 2022 zoals deze na de ambtshalve vermindering is komen te luiden (berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.960);
- bevestigt de vernietiging van de belastingrentebeschikking;
- wijst het verzoek om een dwangsom af;
- wijst het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn af;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 51 aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 14,20 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.S. Langius, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Schultinga, griffier.
griffier
rechter
Uitgesproken op 16 april 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 5a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.
2.Artikel 6:22 van Pro de Awb.
3.Vergelijk Hoge Raad 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:114.
4.Artikel 4:17, eerste lid van de Awb.
5.Artikel 1:3, tweede lid van de Awb.
6.Artikel 1:3, eerste lid van de Awb.
7.Artikel 1:3, derde lid van de Awb.
8.Artikel 7:10, eerste lid van de Awb.
9.Artikel 7:10, derde lid van de Awb.
10.Zie onder meer Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.