Eiseres maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2022, waarbij de inspecteur het belastbaar inkomen uit werk en woning had vastgesteld op € 36.743. Na bezwaar werd het inkomen verminderd tot € 34.139, maar later ambtshalve verder verlaagd tot € 33.960, conform de oorspronkelijke aangifte van eiseres.
De rechtbank constateerde dat de hoorplicht door de inspecteur was geschonden, wat niet zonder gevolgen kon blijven. De rechtbank besloot zelf in de zaak te voorzien en verklaarde het beroep gegrond. Het verzoek om een dwangsom wegens niet tijdig beslissen werd afgewezen omdat de ingebrekestelling prematuur was en na het verstrijken van de beslistermijn geen nieuwe ingebrekestelling was gedaan.
Ook het verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen, omdat de redelijke termijn van twee jaar nog niet was overschreden. De rechtbank vernietigde de uitspraak op bezwaar en handhaafde de aanslag zoals ambtshalve verminderd. De inspecteur werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.