Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2026 in de zaak tussen
[naam], uit [woonplaats], eiser
Raad voor Rechtsbijstand, de Raad,
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
- alle zienswijzen en voorlegers in ‘Z-toevoegingen’;
- alle communicatie over ‘Z-toevoegingen’ zoals beleidsaanpassingen, mails van en/of naar advocaten, interne mails en memo’s, et cetera;
- powerpoints, verslagen, rapportages en dergelijke voor zover deze betrekking hebben tot ‘Z-toevoegingen’;
- alle kenniswijzers over ‘Z-toevoegingen’ en aanpassingen van de kenniswijzer.
31 december 2022. Daarnaast verduidelijkt eiser dat het begrip ‘Z-toevoegingen’, zoals hij dit bedoelt, alle toevoegingen met een zaakcode die begint met een Z omvat.
Z-toevoegingen. [5]
30 maart 2023. De rechtbank oordeelt dat het feit dat de Raad hierna niet een nader verzoek tot precisering heeft gedaan met betrekking tot de correspondentie, niet maakt dat de omvang van het verzoek niet mag worden meegewogen. De Raad heeft ter zitting verklaard dat voor openbaarmaking van de correspondentie alle dossiers en steekproefverslagen inzake de 13 Z-codes doorlopen moeten worden. Het gaat dan om een omvangrijke hoeveelheid documenten waarbij de Raad heeft toegelicht dat er wekelijks alleen al tientallen steekproefverslagen worden opgemaakt. Het nalopen van alle dossiers en steekproefverslagen over de periode van een jaar, waarna de stukken nog moeten worden beoordeeld en gecontroleerd op persoonsgegevens, kan niet van de Raad worden gevergd, aldus de Raad.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- bepaalt dat de Raad het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van € 1.000,- aan
Informatie over hoger beroep
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Wet hergebruik van overheidsinformatie (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0036795&g=2026-03-10&z=2026-03-10);
artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005537&artikel=4:5&g=2026-03-10&z=2026-03-10)wordt het besluit om het verzoek niet te behandelen aan de verzoeker bekendgemaakt binnen twee weken nadat het verzoek is gepreciseerd of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
hoofdstuk 5 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0045754/2026-02-20).