Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2026:1153

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
10 april 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2601151:R-RK
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b lid 1 FwArt. 287 lid 4 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tot opschorting ontruiming wegens minnelijk schuldhulpverleningstraject

Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis voor een periode van zes maanden te verbieden, omdat zij een minnelijk schuldhulpverleningstraject wil doorlopen. De rechtbank heeft het verzoek voorlopig toegewezen bij tussenvonnis en beoordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie nu de ontruiming per exploot is aangezegd.

De rechtbank weegt het belang van verzoekster, die in haar woning wil blijven en haar schulden wil saneren, af tegen het belang van de verhuurder die het ontruimingsvonnis wil uitvoeren. Gezien de tijdige betaling van de huur en het lopende schuldhulpverleningstraject acht de rechtbank de opschorting noodzakelijk en gerechtvaardigd.

De voorziening geldt voor maximaal zes maanden vanaf het tussenvonnis van 20 januari 2026, met de voorwaarde dat de lopende huurverplichtingen tijdig en volledig worden nagekomen. De rechtbank bepaalt dat de voorziening vervalt bij intrekking van het verzoek tot schuldsanering of bij niet-nakoming van de huurverplichtingen. De schuldhulpverlener moet uiterlijk twee weken voor het einde van de voorziening verslag uitbrengen.

De rechtbank besluit de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis op te schorten en de huurovereenkomst te verlengen voor de duur van de voorziening. Een beslissing op het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling wordt uitgesteld totdat het minnelijk traject is afgerond.

Uitkomst: De rechtbank schort de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis voor maximaal zes maanden op onder de voorwaarde dat de huur tijdig en volledig wordt voldaan.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Nederland

Afdeling Privaatrecht
Zittingsplaats Groningen
Rekestnummer: NL:TZ:2601151:R-RK
Uitspraak van 9 maart 2026
In de zaak van
[verzoekster],
geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] ,
hierna te noemen verzoekster,
tegen
Peled Vastgoed en Beheer B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amstelveen,
gemachtigde: NL.Legal, gevestigd te [adres] Emmen,
hierna te noemen de verhuurder,
tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 Faillissementswet (Fw).
Samenvatting
Verzoekster heeft verzocht om gedurende een termijn van zes maanden de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis te verbieden.
De rechtbank wijst het verzoek toe.

1.De procedure

1.1
De procedure bestaat uit:
- het verzoek voorlopige voorziening op grond van artikel 287b lid 1 van de Fw inclusief bijlagen, waaronder het ontruimingsvonnis van 28 oktober 2025 en het exploot van 13 januari 2026 waarin de ontruiming is aangezegd tegen 21 januari 2026, ingediend samen met een verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling;
- het tussenvonnis van de rechtbank van 20 januari 2026, waarbij de aangezegde ontruiming (voorlopig) is verboden onder de voorwaarde dat de lopende verplichtingen door [verzoekster] worden nagekomen;
- de zitting van maandag 2 maart 2026, waarbij aanwezig waren:
- verzoekster;
- mr. G.B. de Jong, advocaat, in plaats van schuldhulpverlener [schuldhulpverlener] ;
- namens de verhuurder [naam] , werkzaam bij NL.Legal.
1.2
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het verzoek

2.1
Verzoekster verzoekt de rechtbank om gedurende een termijn van zes maanden de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis van 18 oktober 2025 te verbieden. Verzoekster heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat zij probeert tot een minnelijke schuldregeling met haar schuldeisers te komen.
2.2
Het verzoek is voorlopig toegewezen bij tussenvonnis van 20 januari 2026. Op 25 februari 2026 heeft de schuldhulpverlener tussentijds verslag gedaan. Hieruit blijkt het volgende. Verzoekster heeft de huur stipt op tijd betaald. Op 31 januari 2026 is de huur van de maand februari 2026 voldaan. Een betaalbewijs daarvan is bij het verslag bijgevoegd. Ook de huur over de maand maart is tijdig voldaan. Er is op 13 februari 2026 gestart met een inventarisatie van de schulden. De verwachting is dat de inventarisatiefase nog een maand in beslag zal nemen. De voorlopige indruk van de schuldhulpverlener is dat er een wirwar van schulden is en dat het de vraag is of alle schulden kunnen worden ondervangen in een minnelijk traject. Er is beslag gelegd op het salaris van verzoekster. Mogelijk zal daarom nog een verzoekschrift ex artikel 287 lid 4 Fw Pro worden ingediend om financiële ruimte te kunnen houden ter voorkoming van nieuwe schulden. Na afronding zal worden bekeken of een minnelijke regeling kans van slagen heeft.
2.3
Mr. De Jong heeft ter zitting verklaard dat verzoekster de huur van de maand maart 2026 heeft betaald op 23 februari 2026. Verzoekster heeft inzichtelijk gemaakt welke schulden zij heeft en de schuldeisers zijn aangeschreven om hun vordering in te dienen. Er kan pas een moratorium worden ingediend als er sprake is van spoedeisend belang en een datum is aangezegd waarop wordt ontruimd. De ontruiming is per exploot acht dagen tevoren aangezegd, waarna 4 à 5 dagen later het verzoek voorlopige voorziening is ingediend.

3.Het verweer

3.1
De verhuurder stelt zich op het standpunt dat het verzoek van verzoekster dient te worden afgewezen.
3.2
De heer [naam] voert hiertoe ter zitting namens de verhuurder aan dat schuldeisers wel zijn aangeschreven om hun vordering kenbaar te maken maar dat er geen helder beeld is van de schuldenlast. De verhuurder heeft na het vonnis van de rechtbank op tegenspraak van 28 oktober 2025 een ruime termijn van twee maanden genomen om de ontruiming aan te zeggen. Het indienen van de voorlopige voorziening één dag voor de geplande ontruimingsdatum is te laat en is een noodgreep. Het minnelijk traject had op dat moment al moeten zijn opgestart. [naam] verwijst naar uitspraken van Rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2019:3774) en Rechtbank Den Haag (ECLI:NL:RBDHA:2024:5145).
3.3
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij vijf dagen in de week 4 tot 6 uur in de
avonduren aan het werk is en dat er beslag is gelegd op haar loon door Deurwaarderskantoor Holland.

4.De beoordeling

4.1
Op grond van artikel 287b FW kan de rechtbank de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis voor maximaal zes maanden opschorten indien er sprake is van een bedreigende situatie. Voorwaarde daarbij is dat tijdens de opschortingsperiode de lopende huurpenningen tijdig worden voldaan.
4.2
De wetgever heeft met deze regeling beoogd dat bedreigende situaties worden voorkomen. Daarnaast vergroot het de kans van slagen van een buitengerechtelijk traject; schuldeisers hebben in deze situatie een extra stimulans om een buitengerechtelijk akkoord te aanvaarden.
4.3
Nu de ontruiming van de woning per exploot aan verzoekster is aangezegd, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
4.4
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening moet worden toegewezen of afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval de verhuurder, anderzijds.
4.5
Het belang van verzoekster is dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van de verhuurder bestaat erin dat zij het ontruimingsvonnis van 18 oktober 2025 ten uitvoer kan leggen.
4.6
De rechtbank is van oordeel dat de gevraagde voorziening noodzakelijk en gerechtvaardigd is om verzoekster in staat te stellen in het minnelijk traject tot overeenstemming te komen met de schuldeisers over een minnelijke schuldregeling. Van een situatie waarbij op voorhand duidelijk is dat de kans dat een minnelijke schuldregeling, gelet op de aard en de omvang van de schulden, tot stand komt zo klein is dat een moratorium niet gerechtvaardigd is, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De rechtbank stelt weliswaar vast dat er een huurachterstand is ontstaan, maar constateert op basis van het verslag van de schuldhulpverlener en het verhandelde ter zitting dat de huur de afgelopen periode telkens tijdig en volledig is voldaan en dat betaling van de toekomstige huur lijkt te zijn gewaarborgd.
4.7
Gelet op het belang van verzoekster om nu in relatieve rust aan de sanering van de schulden te kunnen werken, acht de rechtbank de gevraagde voorlopige voorziening dan ook gerechtvaardigd en zal het verzoek worden toegewezen. De rechtbank zal daarbij uitgaan van een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de datum van het tussenvonnis. Ter waarborging van de belangen van de verhuurder zal de rechtbank tevens bepalen dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar de voorziening betrekking op heeft tijdig en volledig worden voldaan.
4.8
Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt nu nog niet beslist aangezien het minnelijk traject nog moet worden afgerond. Indien gedurende de looptijd van dit moratorium een minnelijke schuldregeling tot stand komt, dient verzoekster dit zo spoedig mogelijk aan de rechtbank te melden en daarbij het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in te trekken.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1
schort de tenuitvoerlegging van het op 28 oktober 2025 op verzoek van de verhuurder uitgesproken vonnis tot ontruiming van de woning aan de [adres] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
5.2
bepaalt dat deze voorziening geldt voor de duur van ten hoogste zes maanden, te rekenen vanaf 20 januari 2026:
5.3
bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken dan wel een beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;
5.4
bepaalt dat de genoemde voorziening vervalt als niet tijdig en volledig wordt voldaan aan de lopende verplichtingen uit de rechtsverhouding waar het moratorium betrekking op heeft;
5.5
bepaalt dat degene, die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling uitvoert, uiterlijk twee weken vóór het aflopen van de voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b lid 6 Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.