Uitspraak
1.De procedure
10 april 2024.
Rechtbank Den Haag
Mevrouw [naam 1] verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening die de ontruiming van haar woning voor zes maanden zou verbieden, omdat de verhuurders de woning wilden ontruimen op 10 april 2024. Zij had tevens een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) ingediend.
De rechtbank oordeelde dat er niet of nauwelijks een reëel begin was gemaakt met het minnelijk schuldsaneringstraject, aangezien mevrouw [naam 1] zich pas op 5 april 2024 tot schuldhulpverlening had gewend en slechts een brief aan schuldeisers was gestuurd. De stabilisatiefase, waarin inkomsten en uitgaven in balans moeten worden gebracht, was niet succesvol doorlopen. Bovendien was het niet aannemelijk dat de lopende huurtermijnen en andere kosten tijdig en volledig betaald konden worden.
De verhuurders hadden een eerdere ontruimingstitel, en er was sprake van een aanzienlijke huurachterstand van meer dan €13.600. Ondanks ontvangen bedragen op haar bankrekening was onduidelijk waarom deze niet voor huurbetaling werden gebruikt. Het zwaarwegend belang van de verhuurders, voor wie de woning een particuliere pensioenbelegging vormt, werd meegewogen.
Daarom wees de rechtbank het verzoek tot voorlopige voorziening af en verklaarde mevrouw [naam 1] niet-ontvankelijk in haar WSNP-verzoek wegens het ontbreken van de benodigde stukken en het ontbreken van een reëel begin van het minnelijk traject. De beslissing werd op 9 april 2024 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Verzoek voorlopige voorziening afgewezen en WSNP-verzoek niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende schuldsanering.