Eiseres ontdekte begin 2024 dat zij sinds 2016 het reguliere personenautotarief betaalde voor haar kampeerauto, terwijl zij meent recht te hebben op het lagere kampeerautotarief. Zij verzocht de RDW in februari 2024 om het kampeerautotarief toe te passen, waarna de inspecteur dit vanaf 28 januari 2024 vaststelde. Eiseres maakte bezwaar tegen deze ingangsdatum en vorderde toepassing van het tarief met terugwerkende kracht vanaf 2016.
De rechtbank beoordeelde dat de inspecteur het kampeerautotarief terecht vanaf het tijdvak van het verzoek toepast en niet eerder. Dit volgt uit de wettelijke regeling en het Kaderbesluit mrb, waarin is bepaald dat het tarief niet van rechtswege geldt maar op verzoek wordt toegepast vanaf het begin van het tijdvak waarin het verzoek is ontvangen. De rechtbank verwees naar eerdere jurisprudentie van het Gerechtshof Amsterdam en de Rechtbank Zeeland-West-Brabant die deze lijn bevestigen.
De Hoge Raad heeft eveneens geoordeeld dat terugwerkende kracht verder dan het tijdvak van het verzoek leidt tot uitvoeringsproblemen en dat de inspecteur slechts bij bijzondere omstandigheden verder terugwerkende kracht hoeft te verlenen, wat hier niet het geval is. De rechtbank stelde dat het feit dat eiseres niet eerder op de hoogte was van het tarief en dat de RDW het motorrijtuig als kampeerauto aanmerkte, niet tot een andere uitkomst leidt. De verantwoordelijkheid voor tijdig verzoek ligt bij de belastingplichtige.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de ingangsdatum van 28 januari 2024 en wees terugbetaling van te veel betaalde belasting en proceskosten af.