ECLI:NL:RBNNE:2025:2562

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2025
Publicatiedatum
27 juni 2025
Zaaknummer
11642745 VV EXPL 25-37
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming huurwoning vanwege ernstige overlast door huurder

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 27 mei 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen Stichting Lefier en de Gemeente Groningen, h.o.d.n. Groningse Kredietbank, die als bewindvoerder optreedt voor een onder bewind gestelde persoon. De eiseres, Lefier, vorderde ontruiming van de huurwoning van de onder bewind gestelde, vanwege ernstige overlast die door hem en zijn bezoekers werd veroorzaakt. De rechtbank heeft vastgesteld dat er sinds december 2023 veelvuldig klachten zijn ontvangen van omwonenden over geluidsoverlast, drugshandel en intimiderend gedrag. Ondanks eerdere waarschuwingen en afspraken heeft de onder bewind gestelde geen verbetering laten zien. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de overlast ernstig genoeg is om de ontruiming te rechtvaardigen, en dat de belangen van Lefier zwaarder wegen dan die van de onder bewind gestelde. De ontruiming is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, met een termijn van 14 dagen na betekening van het vonnis. Daarnaast is de onder bewind gestelde veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan Lefier.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: 11642745 VV EXPL 25-37
Vonnis in kort geding van 27 mei 2025
in de zaak van
Stichting Lefier,
kantoorhoudende te Groningen,
eiseres, hierna Lefier te noemen,
gemachtigde mr. S. Bosma,
tegen
Gemeente Groningen, h.o.d.n. Groningse Kredietbank,
gevestigd in de gemeente Groningen,
gedaagde, hierna te noemen: Groningse Kredietbank of de bewindvoerder,
in haar hoedanigheid van bewindvoerder ex artikel 1:431 e.v. van het Burgerlijk Wetboek (BW) over de goederen en gelden van [onder bewind gestelde] , wonende te [woonplaats] , hierna [onder bewind gestelde] te noemen,
gemachtigde mr. E.Tj. van Dalen.

1.De procesgang

1.1.
De procesgang blijkt uit het volgende:
- de dagvaarding in kort geding met 29 producties,
- de aanvullende producties 30 en 31 van Lefier,
- de mondelinge behandeling op 15 mei 2025, waar Lefier, [onder bewind gestelde] en de gemachtigden van partijen zijn verschenen,
- de door Lefier op die zitting overgelegde spreekaantekeningen.
1.2.
Vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
De goederen en gelden van [onder bewind gestelde] zijn bij beschikking van 1 december 2020 onder bewind gesteld. Daarbij is Gemeente Groningen, h.o.d.n. Groningse Kredietbank, tot zijn bewindvoerder benoemd.
2.2.
Lefier heeft met ingang van 26 oktober 2022 met [onder bewind gestelde] een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot de zelfstandige woning aan de [adres] . Op de huurovereenkomst zijn de door Lefier gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing verklaard.
2.3.
Sinds december 2023 wordt door omwonenden van [onder bewind gestelde] , eveneens huurders van Lefier, veelvuldig geklaagd over ernstige overlast van [onder bewind gestelde] en personen in en rond zijn woning. Inspanningen van Lefier om de overlast te doen eindigen, hebben niet tot het gewenste resultaat geleid.
2.4.
[onder bewind gestelde] , die kampt met ernstige verslavingsproblematiek, is sinds 26 april 2025 gedetineerd. Naar verwachting zal hij op 14 juli 2025 weer vrij komen.

3.[onder bewind gestelde] /zijn bewindvoerder

3.1.
Het gaat in deze zaak om de huurovereenkomst die [onder bewind gestelde] met Lefier heeft gesloten. Naar de kantonrechter begrijpt, is [onder bewind gestelde] met instemming van zijn bewindvoerder op de mondelinge behandeling verschenen om met steun van zijn advocaat verweer te voeren. Hoewel de bewindvoerder de formele procespartij is, zal hierna daarom steeds over de stellingen en het verweer van [onder bewind gestelde] worden gesproken. Omdat de bewindvoerder het verweer aan [onder bewind gestelde] heeft overgelaten, wordt dat verweer geacht mede namens de bewindvoerder te zijn gevoerd.

4.De vordering

4.1.
Lefier vordert samengevat dat de bewindvoerder bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening wordt veroordeeld om de door [onder bewind gestelde] van Lefier gehuurde woning te ontruimen en te verlaten en om aan Lefier de buitengerechtelijke kosten groot € 462,50 te betalen. Tot slot vordert Lefier dat de bewindvoerder wordt veroordeeld in de proceskosten, de nakosten en de wettelijke rente over deze kosten.
4.2.
Lefier legt in essentie aan haar vordering ten grondslag dat de door [onder bewind gestelde] en zijn bezoekers veroorzaakte overlast zodanig is, dat er naar haar mening geen andere optie is dan dat [onder bewind gestelde] de woning - vooruitlopend op een in een bodemprocedure uit te spreken ontbinding van de huurovereenkomst - op korte termijn dient te verlaten. Dat geldt volgens Lefier temeer omdat de woning ernstig vervuild is.
4.3.
[onder bewind gestelde] betwist de gestelde overlast op zich niet. Volgens [onder bewind gestelde] heeft hij echter zo’n groot belang bij het behoud van de woonruimte, dat een belangenafweging in zijn voordeel zal moeten uitvallen. [onder bewind gestelde] vindt daarom dat de gevorderde ontruiming zal moeten worden afgewezen.
4.4.
Waar nodig zal hierna, bij de beoordeling, nader op de stellingen van partijen worden ingegaan.

5.De beoordeling

Spoedeisend belang

5.1.
De aard van de vordering (overlast) brengt mee dat Lefier een spoedeisend belang bij de gevorderde ontruiming heeft. [1] Als een hoofdvordering voldoende spoedeisend is om in kort geding te kunnen worden beoordeeld, is de proceseconomie ermee gebaat dat in dit geding ook over de daarmee nauw verwante nevenvorderingen wordt geoordeeld. [2] Dat geldt in dit geval voor de mede gevorderde buitengerechtelijke kosten.
Maatstaf ontbinding huurovereenkomst in het algemeen en ontruiming in kort geding
5.2.
In artikel 6:265 BW is neergelegd dat alleen een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op ontbinding van de overeenkomst. Bij de beoordeling hiervan kunnen alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Dit artikel is ook van toepassing op huurovereenkomsten. Uit de structuur van dit artikel volgt dat het aan Lefier is om te stellen en zo nodig te bewijzen dat sprake is van een tekortkoming aan de zijde van [onder bewind gestelde] en dat het aan [onder bewind gestelde] is om de omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen dat de tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
5.3.
Als sprake is van een tekortkoming die naar verwachting in een bodemprocedure zal leiden tot een ontbinding van de huurovereenkomst, kan dat in kort geding grond zijn voor toewijzing van een vordering tot ontruiming. Daarvoor is vereist dat:
met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat de tekortkoming in een bodemprocedure zal leiden tot toewijzing van een vordering tot ontbinding,
van de verhuurder in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij de uitkomst van die bodemprocedure afwacht.
5.4.
Daarbij geldt dat in kort geding een vordering tot ontruiming niet snel moet worden toegewezen, gelet op het ingrijpende karakter en veelal onomkeerbare gevolg van een dergelijke maatregel, die een inmenging vormt op het in artikel 8 EVRM vastgelegde recht van eenieder op respect voor zijn woning en zijn privé-, familie- en gezinsleven. Een ontruiming in kort geding, vooruitlopend op een definitief oordeel van de rechter in een (eventuele) bodemprocedure over de ontbinding, moet vanuit dat perspectief ook berusten op een belangenafweging en moet daarbij proportioneel te zijn. [3]
Overlast en het verbod daarop
5.5.
Artikel 7:213 BW bepaalt dat een huurder verplicht is zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen. Artikel 6.2.1 van de algemene voorwaarden heeft dezelfde strekking. Daarin is namelijk bepaald dat de huurder het gehuurde zal gebruiken en onderhouden zoals het een goed huurder betaamt. In artikel 6.7.1 van de algemene voorwaarden is een uitdrukkelijk verbod op het veroorzaken van overlast opgenomen. Daarin staat namelijk dat de huurder ervoor moet zorgen dat aan omwonenden geen overlast of hinder wordt veroorzaakt door huurder, huisgenoten, huisdieren of door derden die zich vanwege huurder in, rondom of in de directe nabijheid van het gehuurde of in de gemeenschappelijke ruimten bevinden. Het verbod op overlast geldt dus niet alleen voor [onder bewind gestelde] zelf maar ook voor zijn huisgenoten of derden die zich met zijn instemming in of rondom de woning bevinden. Artikel 7:219 BW bepaalt dat een huurder jegens zijn verhuurder op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk is voor de gedragingen van hen die met zijn goedvinden het gehuurde gebruiken of zich daar met zijn goedvinden bevinden.
5.6.
Samengevat voert Lefier aan dat er sinds december 2023 onder andere veelvuldig sprake is van de volgende overlast:
  • geluidsoverlast door schreeuwen, schelden, ruzies, vechtpartijen, gooien met voorwerpen, hard dichtgooien van deuren en vernielen van deuren en ramen, zowel overdag als ook ’s avonds en in de nachtelijke uren;
  • drugshandel, verslavingsproblematiek en drank- en drugsmisbruik;
  • intimiderend en (be)dreigend gedrag.
5.7.
Volgens Lefier hebben de omwonenden niet alleen bij haar maar ook bij de politie over de overlast geklaagd. In een poging om de overlast te doen beëindigen heeft Lefier, zo voert zij aan, meerdere brieven naar [onder bewind gestelde] gestuurd en hem een aantal keren thuis bezocht. Lefier stelt verder dat zij in maart 2024 met [onder bewind gestelde] concrete afspraken heeft gemaakt over het (doen) eindigen van de overlast en over het opruimen en schoonmaken van zijn ernstig vervuilde woning. Ook heeft [onder bewind gestelde] volgens Lefier in september 2024 voor de veroorzaakte overlast een laatste waarschuwing gekregen en is hem daarbij aangezegd dat bij nieuwe klachten over overlast een juridische procedure zal volgen. Een en ander heeft volgens Lefier echter niet tot verbetering geleid. Ook stelt Lefier dat zij [onder bewind gestelde] medio 2024 een zogenaamd Woonkanstraject heeft aangeboden, maar dat zij dat aanbod later heeft ingetrokken omdat [onder bewind gestelde] niet op de geplande gesprekken kwam opdagen.
5.8.
Samengevat komt het verweer van [onder bewind gestelde] op het volgende neer. [onder bewind gestelde] betwist de gestelde overlast op zich niet en evenmin de hiervoor genoemde acties die Lefier in dat verband heeft ondernomen. [onder bewind gestelde] voert aan dat hij in detentie is afgekickt en dat het voor het herstel zijn verslaving van groot belang is dat hij na zijn detentie over de woning kan beschikken. Wanneer hij op straat zal komen te staan, is volgens [onder bewind gestelde] de kans op terugval groter. Verder voert [onder bewind gestelde] aan dat de overlast voor een (groot) deel door zijn vrienden werd veroorzaakt. Volgens [onder bewind gestelde] zal hij er na zijn detentie alles aan doen om ervoor te zorgen dat dit niet meer gebeurt. [onder bewind gestelde] zegt toe dat hij ook zelf geen overlast meer zal veroorzaken. [onder bewind gestelde] vindt daarom dat een belangenafweging zal moeten leiden tot afwijzing van de gevorderde ontruiming. Hij realiseert zich, zo geeft [onder bewind gestelde] aan, dat wanneer er toch weer overlast ontstaat, de kans groot is dat hij de woning alsnog zal moeten verlaten.
5.9.
Het verweer van [onder bewind gestelde] dat de overlast gedeeltelijk niet door hem maar door zijn bezoekers werd veroorzaakt, kan hem naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet baten. Op grond van artikel 6.7.1 van de algemene voorwaarden moet [onder bewind gestelde] er namelijk voor zorgen dat zijn bezoekers geen overlast veroorzaken. Verder volgt uit artikel 7:219 BW dat door zijn bezoekers veroorzaakte overlast aan [onder bewind gestelde] , als huurder van de woning, kan worden toegerekend. Op grond van dit artikel is [onder bewind gestelde] namelijk jegens Lefier aansprakelijk voor de gedragingen van hen die zich met zijn goedvinden in of in de nabijheid van het gehuurde bevinden. Als zijn bezoekers overlast veroorzaken in zijn woning, dan moet [onder bewind gestelde] daar tegen optreden en hen zo nodig de toegang tot de woning ontzeggen. Mogelijk was [onder bewind gestelde] niet bij machte iets tegen de door die bezoekers veroorzaakte overlast te ondernemen, maar die omstandigheid komt voor zijn rekening en risico. Voor zover de overlast door zijn bezoekers wordt veroorzaakt, moet die dan ook aan [onder bewind gestelde] worden toegerekend.
5.10.
Verder staat genoegzaam vast dat [onder bewind gestelde] veelvuldig door Lefier is aangesproken op de veroorzaakte overlast. In maart 2024 zijn met hem concrete afspraken gemaakt over het eindigen van de overlast. Desondanks ontstond daarna weer ernstige overlast. Ook de laatste waarschuwing in september 2024 en de aanzegging dat bij nieuwe klachten over overlast een juridische procedure zal volgen, hebben niet tot verbetering geleid. Ook daarna was er namelijk sprake van ernstige overlast. Tot slot acht de kantonrechter van belang dat [onder bewind gestelde] medio 2024 door Lefier een zogenaamd Woonkanstraject is aangeboden en dat hij ook die kans onbenut heeft gelaten.
5.11.
De conclusie van het voorgaande is dat Lefier in dit kort geding voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat vanuit en rondom de door [onder bewind gestelde] gehuurde woning sinds geruime tijd ernstige overlast wordt veroorzaakt en dat het woongenot van de omwonenden door de overlast ernstig wordt geschaad. Voor zover de overlast niet door [onder bewind gestelde] zelf maar door zijn bezoekers wordt veroorzaakt, is [onder bewind gestelde] daar als huurder van de woning verantwoordelijk voor. Omdat [onder bewind gestelde] kennelijk niet bij machte was om de overlast te (doen) staken, bestaat er naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter geen, althans onvoldoende uitzicht op verbetering. [onder bewind gestelde] heeft tijdens de mondelinge behandeling weliswaar beloofd dat er vanaf nu geen sprake meer van overlast zal zijn, maar in het licht van de omstandigheid dat [onder bewind gestelde] dergelijke eerdere toezeggingen niet is nagekomen en hij alle kansen die hij heeft gekregen onbenut heeft gelaten, had [onder bewind gestelde] moeten uitleggen waarom er nu wel op kan worden vertrouwd dat hij zijn belofte zal nakomen. Dat heeft hij echter niet, althans onvoldoende gedaan, reden waarom niet van die belofte kan worden uitgegaan. Gezien de aard, omvang en ernst van de overlastproblematiek, zal een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst in de bodemzaak daarom met een grote mate van waarschijnlijkheid worden toegewezen.
Belangenafweging en ontruiming
5.12.
De grote kans dat in de bodemzaak de ontbinding van de overeenkomst zal worden uitgesproken, kan op grond van eerdergenoemd arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (zie rechtsoverweging 5.3 en 5.4) echter niet zonder meer leiden tot een veroordeling tot ontruiming in dit kort geding. Uit dat arrest volgt namelijk dat ook moet worden beoordeeld of van Lefier in redelijkheid niet kan worden verwacht dat zij de uitkomst van die bodemprocedure afwacht. In dat verband moet een belangenafweging plaatsvinden.
5.13.
Meestal heeft een huurder belang bij het behoud van het gehuurde als woonruimte. Dat is ook hier het geval. [onder bewind gestelde] heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat het voor het herstel zijn verslaving van groot belang is dat hij na zijn detentie over de woning kan beschikken. Wanneer hij op straat zal komen te staan, is volgens [onder bewind gestelde] de kans op terugval groter. Aan de zijde van Lefier geldt dat zij haar andere huurders en derden moet vrijwaren van overlast.
5.14.
Afweging van het belang van [onder bewind gestelde] bij het behoud van het gehuurde en het belang van Lefier bij de gevraagde ontruiming, leidt niet tot het oordeel dat het belang van [onder bewind gestelde] bij het behoud van de woning zwaarder moet wegen. De ontruiming is mogelijk ingrijpend voor [onder bewind gestelde] , maar dit is het gevolg van de door hem en zijn bezoekers veroorzaakte ernstig overlast. Bovendien is er, zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.11 is overwogen, voor wat betreft die ernstige overlast geen concreet uitzicht op verbetering. Wanneer [onder bewind gestelde] in de woning zal blijven wonen, is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter de kans groot dat opnieuw ernstige overlast zal ontstaan. Eerdere gesprekken en brieven daarover hebben namelijk ook niet tot verbetering geleid. Onder die omstandigheid dienen de belangen van Lefier naar het oordeel van de kantonrechter te prevaleren boven die van [onder bewind gestelde] . Van Lefier kan daarom in redelijkheid niet worden verwacht dat zij de uitkomst van die bodemprocedure afwacht.
5.15.
Het voorgaande betekent dat de gevorderde ontruiming dient te worden uitgesproken.
Ontruimingstermijn
5.16.
Lefier heeft gevorderd dat de ontruiming binnen 14 dagen na de datum van het vonnis dient plaats te vinden. Weliswaar is gesteld noch gebleken dat dit voor [onder bewind gestelde] geen redelijke (haalbare) termijn is, maar de kantonrechter zal [onder bewind gestelde] voor de ontruiming een iets langere termijn gunnen, namelijk 14 dagen na betekening van dit vonnis.
5.17.
Bij het voorgaande tekent de kantonrechter aan dat [onder bewind gestelde] dan waarschijnlijk nog in detentie zal zitten en dat hij de woning daarom niet zelf zal kunnen ontruimen. Voor zover de bewindvoerder daarvoor de op de mondelinge behandeling aanwezige broer van [onder bewind gestelde] wil inschakelen, overweegt de kantonrechter dat Lefier weliswaar tijdens de mondelinge behandeling heeft aangevoerd dat zij eerder met [onder bewind gestelde] heeft afgesproken dat zijn broer niet meer in de woning mag komen, maar voor zover dat juist is (in de brief van 27 maart 2024, waar Lefier kennelijk op doelt, staat alleen dat overlast veroorzakende
vriendenniet meer welkom in de woning zijn), is die afspraak alleen gemaakt om te voorkomen dat overlast wordt veroorzaakt. Ontruiming van de woning is echter iets anders. De kantonrechter geeft de gemachtigden van partijen in overweging om daar afspraken over te maken.
De buitengerechtelijke kosten
5.18.
Lefier vordert verder betaling van een bedrag van € 462,50 aan buitengerechtelijke incassokosten. Om in aanmerking te komen voor een vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten dient Lefier niet alleen te stellen dat zij daadwerkelijk buitengerechtelijke incassokosten heeft gemaakt, maar ook dat die kosten zien op werkzaamheden die meer omvatten dan een enkele sommatie, het enkel doen van een schikkingsvoorstel of het inwinnen van inlichtingen. Lefier heeft niet, althans onvoldoende onderbouwd, gesteld dat dergelijke werkzaamheden hebben plaatsgevonden. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal daarom worden afgewezen.
De proceskosten
5.19.
[onder bewind gestelde] is in het ongelijk gesteld en daarom moet hij de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Lefier worden begroot op:
  • dagvaarding € 149,71
  • griffierecht € 135,00
  • salaris gemachtigde € 814,00 (gemiddelde zaak op tegenspraak)
  • nakosten
  • totaal € 1.233,71.
5.20.
Dit bedrag kan nog worden vermeerderd met de kosten van betekening van dit vonnis als niet tijdig aan de veroordeling wordt voldaan en het vonnis daarna wordt betekend.
5.21.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.22.
In rechtsoverwegingen 5.13 en 5.14 zijn de belangen van Lefier en [onder bewind gestelde] tegen elkaar afgewogen. Diezelfde belangen spelen ook een rol bij de vraag of het vonnis uitvoerbaar bij voorraad moet worden verklaard. De kantonrechter is van oordeel dat de eerdergenoemde belangen van Lefier ook bij het beantwoorden van deze vraag zwaarder wegen dan de eerdergenoemde belangen van [onder bewind gestelde] . Het vonnis zal daarom, zoals Lefier heeft gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
veroordeelt Groningse Kredietbank, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onder bewind gestelde] , om de door [onder bewind gestelde] van Lefier gehuurde woning aan de [adres] binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis met al het zijne en de zijnen (van [onder bewind gestelde] ) te ontruimen en te verlaten en ontruimd en verlaten te houden, met achterlating van al hetgeen [onder bewind gestelde] niet in eigendom toebehoort en onder afgifte van de sleutels ter algehele en vrije beschikking van Lefier te stellen;
6.2.
veroordeelt Groningse Kredietbank, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onder bewind gestelde] , in de proceskosten van € 1.233,71 aan Lefier te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [onder bewind gestelde] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.3.
veroordeelt Groningse Kredietbank, in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [onder bewind gestelde] , om aan Lefier de wettelijke rente over de proceskosten te betalen als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst af hetgeen Lefier meer of anders heeft gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Boerlage-van den Bosch, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025.
c688/mh