ECLI:NL:RBNNE:2025:1029

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
4 maart 2025
Publicatiedatum
20 maart 2025
Zaaknummer
C/18/241717 / FT RK 25/45
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening 2015/848Art. 6 lid 3 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing faillissementsverzoek wegens onvoldoende bewijs steunvordering

De verzoekende partij heeft bij de rechtbank Noord-Nederland een verzoek ingediend tot faillietverklaring van de verwerende partij. De rechtbank behandelde het verzoek in raadkamer en hield de zitting twee weken aan om de verzoekende partij in de gelegenheid te stellen het bestaan van een steunvordering nader te onderbouwen.

De verzoekende partij stelde dat er een steunvordering van € 1.205,12 bij VGZ zorgverzekeringen bestond, gebaseerd op een onderzoek door een adviesbureau dat discreet informatie had ingewonnen bij incasso- en deurwaardersorganisaties. Echter, er werd geen schriftelijk bewijs overgelegd, zoals een factuur of verklaring van VGZ zelf, noch was duidelijk op welke periode of grondslag de vordering betrekking had.

De rechtbank oordeelde dat de vordering van de verzoekende partij summierlijk was komen vast te staan, maar dat dit niet gold voor de steunvordering. De enkele verwijzing naar het rapport en een e-mail met een bevestiging van een incassomedewerker was onvoldoende. Omdat niet was aangetoond dat de verwerende partij is opgehouden te betalen, wees de rechtbank het faillissementsverzoek af.

Uitkomst: Het faillissementsverzoek wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat de verwerende partij is opgehouden te betalen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummer: C/18/241717 / FT RK 25/45

beschikking d.d. 4 maart 2025

inzake
[Verzoekende partij]gevestigd en kantoorhoudende te Horst,
verzoekende partij,
advocaat mr. I.A. van Rooij
strekkende tot faillietverklaring van
[Verweerder] ,geboren te [geboorteplaats] ) op [geboortedatum] ,
handelend onder de naam [bedrijfsnaam] , KvK nummer [KvK-nummer]
wonende en kantoorhoudende te [woonplaats] , [adres] ,
verwerende partij.

PROCESGANG

De verzoekende partij heeft ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend. Het verzoek strekt er toe dat de rechtbank de verwerende partij in staat van faillissement zal verklaren.
De behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden in raadkamer van 18 februari 2025 van deze rechtbank. De verzoekende partij is verschenen, waarbij mr. I.A. van Rooij werd waargenomen door mr. W. Wallinga. Hoewel op deugdelijke wijze opgeroepen, is de verwerende partij niet verschenen. De zitting is vervolgens twee weken aangehouden teneinde de verzoekende partij in de gelegenheid te stellen om het bestaan van de steunvordering nader te onderbouwen. De behandeling van het verzoekschrift is vervolgens hervat op 4 maart 2024. Waarbij namens de verzoekende partij mr. W. Wallinga is verschenen. De verwerende partij is niet verschenen.

RECHTSOVERWEGINGEN

De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Pro Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van de verwerende partij in Nederland ligt. De rechtbank overweegt als volgt over het verzoek.
Artikel 6 lid 3 Fw Pro bepaalt dat een faillissement op verzoek van een schuldeiser wordt uitgesproken als aan twee voorwaarden is voldaan. Er moet summierlijk blijken van het bestaan van een vorderingsrecht van de verzoeker en van het bestaan van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de verwerende partij in de toestand verkeert dat hij is opgehouden te betalen. Het bestaan van meer schulden is daarvoor een noodzakelijke, maar niet een voldoende voorwaarde: ook als aan het pluraliteitsvereiste is voldaan, dient nog te worden onderzocht of de schuldenaar in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen (zie o.a. HR 15 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ0542).
In het kader van de behandeling van het faillissementsverzoek dient het bestaan van de toestand van opgehouden te hebben te betalen bovendien eenvoudig zijn vast te stellen.
De verzoekende partij heeft aangevoerd dat haar vorderingsrecht vast staat en dat de verwerende partij meerdere schulden onbetaald laat. Daartoe is aangevoerd dat er een steunvordering is ter hoogte van € 1.205,12 bij VGZ zorgverzekeringen. Het bestaan van deze vordering zou blijken uit een door [adviesbureau] , in opdracht van de verzoekende partij, gedaan onderzoek naar crediteuren en/of steunvorderingen gedateerd 24 december 2024. Bij dit onderzoek heeft het adviesbureau, zoals wordt vermeld in hun rapport, op discrete wijze aanvraag gedaan bij éénenveertig lokale en landelijk opererende incasso- en deurwaardersorganisaties en andere creditmanagementpartijen. De vordering van VGZ zou hieruit naar voren zijn gekomen.
De rechtbank stelt vast dat de vordering van de verzoekende partij summierlijk is komen vast te staan. Dat geldt echter niet ten aanzien van de door de verzoekende partij opgevoerde steunvordering.
Van deze vordering is geen enkel (schriftelijk) bewijs overgelegd; er is geen factuur, geen verklaring van of namens VGZ zelf dat zij een vordering hebben op de verwerende partij, noch is bekend op welke periode de vordering betrekking heeft of ter zake van wat VGZ een vordering zou hebben. De verzoekende partij heeft volstaan met een verwijzing naar voornoemd rapport, welk rapport na aanhouding is aangevuld met de mededeling per e-mail van 3 maart 2025 “dat gesproken is met een incassomedewerker die bevestigde dat de steunvordering bestaat”.
Dit is voor de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat de steunvordering summierlijk is komen vast te staan, ook in een situatie waarin de verwerende partij niet is verschenen en dus geen verweer heeft gevoerd. Noch VGZ, noch de verwerende partij is bij het onderzoek dat ten grondslag wordt gelegd aan de steunvordering betrokken. Er zijn geen schriftelijke bewijsstukken verzameld en de bron van de informatie waar de bevindingen op gebaseerd zijn wordt in het rapport niet gedeeld.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet summierlijk is gebleken dat de verwerende partij verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen. Gelet hierop zal het verzoek van de verzoekende partij worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Gegeven door mr. D.J. Klijn, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 maart 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.