Eiser verzocht de korpschef van politie om rectificatie van zijn politiegegevens op grond van de Wet politiegegevens (Wpg). De korpschef wees dit verzoek af met het argument dat het verzoek buitensporig was vanwege het aantal en het repetitieve karakter van eerdere verzoeken. Tevens werd een beperking opgelegd aan het aantal toekomstige verzoeken.
De rechtbank oordeelde dat het besluit van de korpschef motiveringsgebreken vertoonde, omdat onvoldoende duidelijk was hoe de criteria van geringe tussenpozen en repetitief karakter concreet waren ingevuld. Ook ontbrak een beleidskader voor beoordeling van buitensporigheid. De belangenafweging en het beroep op administratieve lasten waren onvoldoende onderbouwd.
Daarnaast was de mededeling over de beperking van toekomstige verzoeken geen besluit in de zin van de Awb, zodat daartegen geen beroep openstond. Het verzoek om immateriële schadevergoeding werd ingetrokken.
De rechtbank vernietigde de besluiten en beval de korpschef binnen vier weken een nieuwe beslissing te nemen, met vergoeding van het griffierecht aan eiser.