ECLI:NL:RBNNE:2024:4056
Rechtbank Noord-Nederland
- Tussenuitspraak
- T.P. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheidsincident inzake internationale rechtsmacht en samenhang vorderingen Covid-19 injecties
In deze civiele zaak staat een bevoegdheidsincident centraal waarbij de rechtbank moet beoordelen of zij bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen tegen een Amerikaanse medegedaagde, [X], in een zaak over vermeende onrechtmatige daad in groepsverband rondom Covid-19 injecties.
De rechtbank oordeelt dat op grond van het commune internationaal privaatrecht en artikel 7 lid 1 Rv Pro de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is jegens [X], omdat een van de gedaagden, [H], in Friesland woont en de vorderingen tegen de verschillende gedaagden voldoende samenhangen. Deze samenhang bestaat uit dezelfde juridische grondslag (onrechtmatige daad) en deels dezelfde feitelijke grondslag.
De rechtbank wijst de vordering van [X] tot onbevoegdverklaring af en veroordeelt [X] in de proceskosten. De zaak wordt verwezen voor verdere behandeling met een conclusie van antwoord van [X].
De procedure omvatte diverse schriftelijke stukken, een mondelinge behandeling en pleitnota's. De rechtbank baseert haar oordeel op rechtspraak van het HvJEU en de Hoge Raad over internationale bevoegdheid en samenhang van vorderingen.
De uitspraak bevestigt dat gezamenlijke behandeling van samenhangende vorderingen tegen meerdere gedaagden doelmatig is en voorkomt tegenstrijdige uitspraken over hetzelfde feitencomplex.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich internationaal en relatief bevoegd jegens de Amerikaanse medegedaagde en wijst diens vordering tot onbevoegdverklaring af.