Eiser maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van 7 oktober 2021. Verweerder verklaarde het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk omdat de gronden niet tijdig waren aangeleverd. Eiser had echter binnen de gestelde termijn alsnog gronden per e-mail ingediend.
De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat in de herstelverzuimbrief geen fatale termijn was gesteld en eiser niet duidelijk was gemaakt dat het niet tijdig aanleveren van gronden tot niet-ontvankelijkheid zou leiden. Bovendien waren de ingediende gronden voldoende om ontvankelijkheid te rechtvaardigen.
De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser, met wettelijke rente. De zaak wordt terugverwezen voor inhoudelijke behandeling van het bezwaar.