Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.De verzoeken
4.De standpunten en de beoordeling daarvan
5.De beslissing
Arnhem-Leeuwarden.
Rechtbank Noord-Nederland
De vader van een minderjarige verzocht de rechtbank om de omgangsregeling met zijn dochter uit te breiden en om de gecertificeerde instelling (GI) te verplichten de vaccinaties volgens het rijksvaccinatieprogramma te laten uitvoeren. De minderjarige verblijft sinds 2015 in een pleeggezin en de GI is benoemd tot voogd. De omgangsregeling uit 2018 voorziet in contact onder begeleiding en met beperkte frequentie.
De rechtbank stelde vast dat er gewijzigde omstandigheden waren die een herbeoordeling van de omgangsregeling rechtvaardigen, zoals de leeftijd van de minderjarige en extra contactmomenten. De rechtbank oordeelde echter dat uitbreiding van de omgang niet in het belang van de minderjarige is vanwege haar kwetsbaarheid en de spanningen die het contact met de vader veroorzaakt. Wel werd bepaald dat de omgang niet langer onder begeleiding van pleegouders plaatsvindt, maar door een professionele organisatie, waarbij pleegouders binnen handbereik kunnen blijven.
Het verzoek van de vader om de GI te verplichten tot vaccinatie werd afgewezen wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag. De vader heeft geen gezag en kan op grond van artikel 1:253a BW geen gezagsgeschil aanvoeren. De GI heeft als voogd zelfstandige beslissingsbevoegdheid. De rechtbank verklaarde het verzoek tot vaccinatie niet-ontvankelijk.
De beschikking wijzigt de omgangsregeling beperkt en wijst het vaccinatieverzoek af, met het oog op het belang en de ontwikkeling van de minderjarige.
Uitkomst: De omgangsregeling wordt beperkt gewijzigd door professionele begeleiding toe te staan en het verzoek tot vaccinatie wordt afgewezen wegens gebrek aan wettelijke grondslag.