ECLI:NL:RBNNE:2023:3548

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 juni 2023
Publicatiedatum
24 augustus 2023
Zaaknummer
LEE 22/2318 en 22/1029
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van beroepen tegen waardedaling van woningen door het Instituut Mijnbouwschade Groningen

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland, gedaan op 27 juni 2023, worden de beroepen van eiser tegen de aan hem toegekende vergoedingen voor de waardedaling van zijn woningen beoordeeld. Eiser, eigenaar van twee woningen in [woonplaats 1] en [woonplaats 2], heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van het Instituut Mijnbouwschade Groningen, die zijn bezwaren ongegrond verklaarden. De rechtbank heeft de beroepen op 26 mei 2023 ter zitting behandeld, waarbij eiser en de gemachtigden van het Instituut aanwezig waren.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de beroepen ongegrond zijn. Het Instituut heeft de waardedalingsvergoeding berekend op basis van de WOZ-waarde per 1 januari 2019, wat door de rechtbank als juist wordt bevestigd. Eiser heeft aangevoerd dat de WOZ-waarde te laag is vastgesteld, maar de rechtbank oordeelt dat hij geen bewijs heeft geleverd dat de WOZ-waarde verlaagd had moeten worden vanwege fysieke aardbevingsschade. Eiser had de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de WOZ-waarde, maar heeft dit nagelaten.

De rechtbank benadrukt dat de Regeling voor de begroting van waardedaling correct is toegepast en dat de waardedalingsvergoeding op de juiste wijze is vastgesteld. De beroepen van eiser blijven ongegrond, wat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eiser krijgt geen griffierecht terug en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 22/2318 en 22/1029

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juni 2023 in de zaak tussen

[naam], uit [woonplaats 1] , eiser

en

Instituut Mijnbouwschade Groningen

(gemachtigden: mr. R.L. Straathof en mr. L. Sijbrandij-Leyten).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de aan hem toegekende vergoedingen voor de waardedaling van zijn woningen.
1.1.
Met de bestreden besluiten van 5 januari 2022 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen (het Instituut) de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.
1.2.
Het Instituut heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft de beroepen tegelijkertijd ter zitting op 26 mei 2023 behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het Instituut.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de beroepen van eiser tegen de besluiten op zijn bezwaren. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
4.1.
Eiser is sinds 1970 eigenaar van de woning aan [adres 1] in [woonplaats 1] . Eiser is sinds 1978 tevens eigenaar van de woning aan de [adres 2] in [woonplaats 2] . Eiser heeft voor beide woningen een 100% eigendomsrecht.
4.2.
Op 15 april 2021 heeft het Instituut aan eiser een waardedalingsvergoeding toegekend van € 2.405,81 (exclusief wettelijke rente), voor de woning aan [adres 2] . Het waardedalingspercentage is afgezet tegen de WOZ-waarde van de woning op de peildatum 1 januari 2019 van € 86.000,-.
4.3.
Op 23 april 2021 heeft het Instituut aan eiser een waardedalingsvergoeding toegekend van € 4.955,75 (exclusief wettelijke rente), voor de woning aan de [adres 1] . Het waardedalingspercentage is afgezet tegen de WOZ-waarde van de woning op de peildatum 1 januari 2019 van € 131.000,-.
4.4.
Eiser heeft op 26 mei 2021 bezwaar gemaakt tegen beide besluiten.
Op 24 juni 2021 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
4.5.
Op 5 januari 2022 heeft het Instituut beide bezwaren ongegrond verklaard.
5. De regeling voor de begroting van waardedaling van woningen (de Regeling) is neergelegd in de Procedure en werkwijze van het Instituut (artikelen 3.1 tot en met 3.5).
5.1.
Verweerder heeft de waardedalingsvergoeding berekend met toepassing van de methode van Atlas. [1]
5.2.
Eiser stelt zich ten aanzien van beide woningen op het standpunt dat het Instituut ten onrechte de WOZ-waarde op de peildatum van 1 januari 2019 heeft gebruikt voor de berekening van de waardedalingsvergoeding. Volgens eiser is de WOZ-waarde op de peildatum voor zijn woningen te laag, als gevolg van de bezwaren die hij de afgelopen jaren tegen de WOZ-beschikkingen heeft gemaakt. Door eiser is onder meer aangevoerd dat er sprake is van nog niet gemelde aardbevingsschade en daarmee verbonden achtergesteld onderhoud. Verzocht is uit te gaan van een WOZ-waarde van € 140.000,- voor de [adres 2] en € 200.000,- voor de [adres 1] .
5.3.
Het Instituut is van mening dat de vergoeding van waardedaling van eisers woningen op de juiste wijze is bepaald en op de juiste hoogte is vastgesteld. Het Instituut begroot de waardedaling van een woning met de methode van Atlas. Het Instituut gebruikt voor de berekening van de waardedalingsvergoeding voor niet verkochte woningen de WOZ-waarde op peildatum 1 januari 2019. De keuze voor het gebruik van de WOZ-waarde op de peildatum 1 januari 2019 is conform het advies van de Adviescommissie. De rechtbank heeft het gebruik van de WOZ-waarde op de peildatum van 1 januari 2019 bevestigd. [2] Het Instituut benadrukt op geen enkele manier invloed te hebben op de hoogte van de WOZ-waarde van een woning. Het betreft slechts een objectief gegeven waar het Instituut redelijkerwijs gebruik van maakt bij de toepassing van het model van Atlas.
5.3.1.
Het Instituut kan eiser niet volgen in zijn stelling dat de waardedalingsvergoeding voor de woning [adres 2] moet worden berekend over een waarde van € 140.000,-. De WOZ-waarde van deze woning bedraagt op de peildatum van 1 januari 2019 € 86.000,-. Het Instituut kan eiser evenmin volgen in zijn stelling dat de waardedalingsvergoeding voor de woning aan de [adres 1] moet worden berekend over een waarde van € 200.000,-. De WOZ-waarde van deze woning bedraagt op de peildatum van 1 januari 2019 € 131.000,-.
5.3.2.
Alleen wanneer het Instituut kan verifiëren dat de WOZ-waarde is verlaagd vanwege fysieke aardbevingsschade aan de woning, wordt de waardedalingsvergoeding berekend over de WOZ-waarde die is vastgesteld op de peildatum van 1 januari 2019, plus het bedrag dat vanwege fysieke schade aan de woning van de WOZ-waarde is afgetrokken. Bij eiser doet deze situatie zich niet voor. Uit de taxatieverslagen van de gemeente blijkt niet dat de WOZ-waarden van zijn woningen op de peildatum van 1 januari 2019 naar beneden zijn bijgesteld vanwege de fysieke aardbevingsschade.
5.3.3.
Als eiser het niet eens was met de vastgestelde WOZ-waarde met peildatum
1 januari 2019, had hij de mogelijkheid om daar bezwaar tegen te maken bij zijn gemeente. Dit heeft eiser nagelaten. In plaats daarvan heeft eiser, als het Instituut het goed begrijpt, zich richting de gemeente meermaals op het standpunt gesteld dat zijn WOZ-waarde te hoog was vastgesteld. Aldus eiser heeft hij hierin gelijk gekregen, hoewel hij nalaat daarvan bewijs over te leggen. Het Instituut ziet geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de WOZ-waarde eenmalig is verlaagd vanwege fysieke bevingsschade.
6. De rechtbank overweegt als volgt.
6.1.
Eiser heeft eerder, in bezwaar, tijdens de hoorzitting van 24 juni 2021 naar voren gebracht dat het bezwaar tegen de WOZ-waarde van de woning aan de [adres 2] niet de reden had dat er sprake was van fysieke mijnbouwschade. Eiser is tijdens de hoorzitting in de gelegenheid gesteld om te zoeken naar stukken omtrent de bezwaarprocedures die destijds tegen de WOZ-waardes liepen en deze binnen vier weken aan het Instituut toe te sturen. In de vervolgens overgelegde beslissing op bezwaar van de heffingsambtenaar van 14 oktober 2019 is het volgende vermeld:
“Zodra u een geaccepteerd schaderapport in bezit hebt, kunt u deze inleveren bij de gemeente het Hogeland. Het schadebedrag zal in overleg met u in mindering worden gebracht met de WOZ-waarde.”Niet gebleken is dat eiser een schaderapport heeft ingeleverd (van een van beide panden), welke heeft geleid tot verlaging van de WOZ-waarde.
6.2.
Het Instituut heeft de Regeling juist toegepast door bij de vaststelling van de schade door waardedaling uit te gaan van de WOZ-waarde per 1 januari 2019. [3] Indien eiser van mening was dat de WOZ-waarde per 1 januari 2019 (vanwege in het verleden gemaakte bezwaren) niet juist was vastgesteld, had hij daartegen bezwaar en beroep kunnen instellen. Nu daarvan niet is gebleken, is het Instituut terecht uitgegaan van de per 1 januari 2019 vastgestelde WOZ-waarde.
6.3.
De rechtbank ziet in hetgeen overigens door eiser is betoogd geen grond voor het oordeel dat het Instituut aanleiding had moeten zien om af te wijken van de Regeling door uit te gaan van de WOZ-waarde van een andere, in de buurt gelegen, woning. [4] Dat mogelijk sprake is van fysieke schade, betekent niet dat, los daarvan, ook sprake is van schade in de vorm van waardedaling. De fysieke schade wordt vergoed in een separate procedure. [5]
7. De beroepen van eiser zijn ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Geçer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.J. Poort e.a., ‘Zeven bewogen jaren’, Atlas voor gemeenten.
2.Het Instituut verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank van 28 januari 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:230.
3.Zie ook de uitspraken van de ABRvS van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1722 en 18 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:156.
4.De uitspraak van deze rechtbank van 29 september 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:5449.
5.De uitspraak van deze rechtbank van 30 maart 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:1526.