ECLI:NL:RBNNE:2023:265
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde kantoor/opslag/distributie per 1 januari 2020
De zaak betreft een beroepsprocedure tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak, een kantoor/opslag/distributie, gelegen aan een adres in een plaatsnaam, per waardepeildatum 1 januari 2020. De heffingsambtenaar van de gemeente Súdwest-Fryslân stelde de waarde vast op €594.000 voor het kalenderjaar 2021. Eiseres betwistte deze waarde en stelde dat deze te hoog was vastgesteld.
De rechtbank overwoog dat eiseres haar beroepsgronden niet concreet had uitgewerkt en slechts verwees naar het bezwaarschrift zonder aan te tonen waarom de waarde onjuist was. Verweerder onderbouwde de waarde met een taxatierapport waarin de methode van huurwaardekapitalisatie werd toegepast, inclusief een bottom-up berekening van de kapitalisatiefactor en marktgegevens van referentieobjecten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld en dat de algemene beroepsgronden van eiseres onvoldoende waren om het beroep gegrond te verklaren. Tevens wees de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding af omdat de redelijke termijn niet was overschreden. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.