ECLI:NL:RBNNE:2021:1565
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herleving WW-uitkering na detentie langer dan zes maanden
Eiseres had recht op een WW-uitkering die werd beëindigd vanwege haar detentie. Na haar detentie van meer dan zes maanden verzocht zij om herleving van het recht op WW-uitkering, maar verweerder weigerde dit op grond van artikel 21, derde lid, van de WW. Eiseres stelde dat deze weigering in strijd was met haar eigendomsrecht zoals beschermd in artikel 1 van Pro het Protocol nummer 1 bij het EVRM.
De rechtbank stelde vast dat het recht op WW-uitkering onder het begrip 'possessions' valt en dat het intrekken en niet herleven van de uitkering een eigendomsontneming vormt. De rechtbank onderzocht of deze inbreuk bij wet was voorzien, een legitieme doelstelling had en proportioneel was. De wettelijke basis was artikel 21 van Pro de WW, waarin is geregeld dat het recht op uitkering niet herleeft na detentie langer dan zes maanden.
De rechtbank oordeelde dat de doelstelling legitiem is: voorkomen dat werknemers na langdurige afwezigheid van meer dan zes maanden aanspraak maken op WW, omdat zij dan een te grote afstand tot de arbeidsmarkt hebben. Gezien de ruime beoordelingsmarge van de staat was er geen disproportionele last voor eiseres en geen strijd met het EVRM. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het niet laten herleven van de WW-uitkering na detentie langer dan zes maanden wordt ongegrond verklaard.