Uitspraak
,
Rechtbank Noord-Nederland
De moeder verzocht de schriftelijke aanwijzing van 24 maart 2020, gegeven door de gecertificeerde instelling (GI), vervallen te verklaren en de omgangsregeling met haar minderjarige kinderen uit te breiden. De kinderen wonen in een pleeggezin bij de overgrootmoeder van moederszijde. De GI had de schriftelijke aanwijzing gegeven vanwege spanningen en het belang van rust voor de kinderen, waarbij de omgang beperkt bleef tot één keer per week vier uren op zaterdagmiddag.
De kinderrechter stelde vast dat de schriftelijke aanwijzing niet tijdig was aangevochten, maar dat onduidelijk was wanneer deze was verzonden, waardoor de moeder ontvankelijk werd verklaard. Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad heeft de GI geen bevoegdheid om een schriftelijke aanwijzing te geven die afwijkt van een reeds door de kinderrechter vastgestelde omgangsregeling. Daarom werd de schriftelijke aanwijzing vervallen verklaard.
De moeder verzocht tevens om wijziging van de omgangsregeling op grond van gewijzigde omstandigheden, waaronder de coronacrisis en incidentele extra bezoeken. De kinderrechter oordeelde dat deze omstandigheden geen rechtvaardiging vormen voor uitbreiding van de omgangsregeling. Wel werd de omgangsregeling gewijzigd zodat de GI voortaan de locatie van de bezoeken kan bepalen, aangezien de omgang nu bij de overgrootmoeder plaatsvindt vanwege een verstoorde relatie tussen moeder en pleegmoeder.
De kinderrechter wees het meer of anders verzochte af en gaf een eindbeslissing zonder aanhouding. De beschikking van 23 oktober 2019 blijft in stand met de genoemde wijziging van locatie en zonder uitbreiding van de bezoekduur of frequentie.
Uitkomst: De schriftelijke aanwijzing wordt vervallen verklaard en de omgangsregeling wordt gewijzigd zodat de GI de locatie bepaalt, zonder uitbreiding van de omgang.