ECLI:NL:RBNNE:2018:1058

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
21 maart 2018
Publicatiedatum
26 maart 2018
Zaaknummer
17-1590 en 17-1589
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:54 AwbArt. 8:86 AwbArt. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkheid verzoek herziening uitspraak voorlopige voorziening WIA-uitkering

Opposant heeft verzet ingesteld tegen de uitspraak van 23 mei 2017, waarin de rechtbank zijn verzoek om herziening van een eerdere uitspraak van 7 april 2017 niet-ontvankelijk verklaarde. De eerdere uitspraak betrof de afwijzing van voorlopige voorzieningen in verband met de weigering van een WIA- en Ziektewetuitkering door het UWV.

Opposant stelde dat de voorzieningenrechter de hoorplicht had geschonden door hem niet te horen over een nog in te brengen document, en dat dit in strijd was met artikel 6 EVRM Pro. Tevens verwees hij naar jurisprudentie van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De rechtbank oordeelde dat het verzoek om herziening tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter niet openstaat, tenzij sprake is van een einduitspraak, wat hier niet het geval was.

De rechtbank concludeerde dat de hoorplicht niet is geschonden omdat de Awb artikel 8:54 de Pro mogelijkheid biedt om zonder zitting uitspraak te doen als een zitting geen toegevoegde waarde heeft. Het beroep op het EVRM faalde eveneens. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van 23 mei 2017 bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkheid van het verzoek tot herziening blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 17/1589 en LEE 17/1590

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2018 op het verzet van

[opposant] , te [woonplaats] , opposant,

tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 mei 2017 in de zaak tussen opposant en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv),
geopposeerde.

Procesverloop

Op 7 april 2017 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank uitspraak gedaan op de verzoeken van opposant tot het treffen van een voorlopige voorziening naar aanleiding van besluiten op bezwaar van 19 september 2016 en 18 november 2016. In die besluiten heeft geopposeerde hem meegedeeld dat hij niet in aanmerking wordt gebracht voor een uitkering krachtens de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en een uitkering krachtens de Ziektewet. De uitspraak van 7 april 2017 ( LEE 17/1135 en LEE 17/1136) houdt in de afwijzing van de verzoeken om een voorlopige voorziening wegens het ontbreken van spoedeisend belang.
Bij uitspraak van 23 mei 2017 (LEE 17/1589 en LEE 17/1590) heeft de rechtbank het verzoek van opposant om herziening van de uitspraak van 7 april 2017 niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van 23 mei 2017 heeft opposant verzet gedaan.
Op 18 augustus 2017 en op 28 september 2017 heeft opposant zijn standpunt nader toegelicht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 februari 2018. Opposant is verschenen. Geopposeerde is niet verschenen.

Overwegingen

1.1
In haar uitspraak van 23 mei 2017 heeft de rechtbank artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toegepast, zodat er geen behandeling ter zitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzoek om herziening van de uitspraak van 7 april 2017 van de voorzieningenrechter kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat - kort gezegd - het buitengewoon rechtsmiddel van herziening in de zin van artikel 8:119 van Pro de Awb niet open staat tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter. Een uitzondering is mogelijk als die uitspraak ook een einduitspraak in de zin van artikel 8:86 van Pro de Awb is, maar dat is in het geval van opposant niet aan de orde.
1.2
In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of zij in de uitspraak van 23 mei 2017 terecht heeft geoordeeld dat het verzoek om herziening van de uitspraak van 7 april 2017 kennelijk niet-ontvankelijk is.
2. Opposant heeft in zijn verzetschrift en op de zitting gesteld dat de voorzieningenrechter de hoorplicht ten onrechte niet in acht heeft genomen, terwijl hij nog een document had willen inbrengen. Door hem niet te horen heeft de voorzieningenrechter gehandeld in strijd met artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ook de uitspraak van 23 mei 2017 is ten onrechte gedaan zonder dat hij is gehoord. Ten slotte heeft hij verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 september 2014 (ECLI:NL:RBZWB:2014:6722).
3.1
De rechtbank ziet geen aanleiding anders te oordelen dan in de uitspraak van 23 mei 2017. Terecht heeft de rechtbank in rechtsoverweging 3.2 van die uitspraak gemotiveerd uiteengezet waarom tegen de uitspraak in voorlopige voorziening van 7 april 2017 geen verzoek om herziening kan worden ingediend. Daaruit volgt dat de rechtbank het verzoek om herziening terecht kennelijk niet-ontvankelijk heeft geacht en geen zitting heeft gehouden. Opposant heeft geen argumenten aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden.
3.2
Dat geldt ook voor het beroep van opposant op artikel 6 van Pro het EVRM. Niet valt in te zien waarom de voorzieningenrechter in strijd heeft gehandeld met de beginselen van een eerlijk proces als bedoeld in dat artikel. Anders dan opposant meent, geeft de Awb in artikel 8:54 ook Pro de mogelijkheid om zonder zitting uitspraak te doen, als de rechtbank van oordeel is dat een zitting geen toegevoegde waarde zal hebben.
3.3
Ook het beroep van opposant op de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant faalt. Die uitspraak gaat over iets anders, namelijk over een vervallenverklaring van een civiel eindvonnis omdat die rechtbank een administratieve fout had gemaakt. Feit blijft dat een herziening op grond van artikel 8:119 van Pro de Awb van een uitspraak in voorlopige voorziening in de situatie van opposant, gelet op de jurisprudentie die is genoemd in rechtsoverweging 3.2 van de uitspraak van 23 mei 2017, niet mogelijk is.
4. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 23 mei 2017 in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van
H.M. Eleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.